Het communisme kwam als ideologie op tijdens en na de Franse Revolutie, aanvankelijk uit niet meer dan een gevoel van onbehagen.
Toen er in Frankrijk een illegale arbeidersvereniging ontstond, schreven Karl Marx en Friedrich Engels (1820- 1895) een soort program, het befaamde Communistisch manifest (1848) met de bekende openingszin: ‘Een spook waart door Europa, het spook van het communisme.’ Klassenstrijd zou de macht in handen brengen van het proletariaat, zij het tijdelijk, omdat na de afschaffing van het eigendom van de productiemiddelen en de invoering van staatsbedrijven, er een politieke situatie zou ontstaan waarbij de vrije ontwikkeling van ieder mens voorwaarde zou zijn voor de vrije ontwikkeling van allen. Het socialisme zou dan overgaan in de vrije communistische maatschappij.
Deze pseudo-religieuze ideologie bleek een utopie. Door de opkomst van vakverenigingen en sociaal-democratische politieke partijen, die meer belang hechtten aan de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de arbeidende klasse, vervaagde het revolutionaire elan in de landen waar een parlementaire democratie gestalte begon te krijgen. Dat was niet het geval in tsaristisch Rusland.
Vladimir Iljitsj Lenin zag slechts heil in een radicale revolutie en wees het al of niet marxistische socialisme af. In 1917 kwam zijn kans, maar dit leidde wel tot een gruwelijke burgeroorlog. Hier begon de verandering van het marxistische communisme: de ‘dictatuur van het proletariaat’ werd de dictatuur van de partij (centralisme), ten koste van de vrije meningsuiting en van de mensenrechten, wat niet Marx’ bedoeling was. De communistische partij legde de leer dwingend op aan alle Russen en bestrafte alle kritiek rücksichtslos.
Lenin en Lev Davidovitsj Trotski (1879-1940) verwachtten de spoedige wereldrevolutie en stichtten daartoe de Komintern (communistische internationale) als een overkoepelend orgaan voor de communistische partijen in alle landen, ook die in Nederland, maar wel onder Russische dictatoriale vlag. Onder Jozef Stalin (1879-1953) werd alle nadruk gelegd op de collectivisatie van de landbouw en de invoering en versterking van de zware industrie, wat ontzaglijk veel slachtoffers kostte. Binnen de partij woedde Stalin tegen hen die zijn partijlijn niet trouw volgden, wat leidde tot concentratiekampen (onder ander de Goelag-archipel; Solzjenitsin), schijnprocessen en talloze executies. De oude verwachting van de wereldrevolutie kwam niet uit, waarop Stalin het socialisme in één land proclameerde, wat het oude Russische nationalisme en messianisme enorm versterkte.
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog kwam een groot deel van Midden-Europa in de Russische invloedsfeer en dus onder communistische regeerders. Tegelijkertijd kwam in China na een bloedige burgeroorlog het communisme aan de macht, onder leiding van Mao Zedong (1893-1976). In China stond niet de revolutie van de arbeiders centraal, maar die van de boerenmassa’s.
Gaandeweg echter begon het in de wereld van het communisme onrustig te worden, vooral tegen de overheersende invloed van Rusland. Onder Josip Broz (Tito, 1892-1980) wist Joegoslavië zich aan deze invloed te onttrekken. Dat lukte niet in Hongarije (1956) en Tsjecho-Slowakije (1967), terwijl ook in Oost-Duitsland en Polen arbeidersstakingen met geweld werden neergeslagen.
Intussen koos China voor een eigen weg, los van de Russische bemoeienis en vooral tegen de gedachte van vreedzame coëxistentie met de westerse wereld. Dit werd gezien als verraad van de revolutie in de vroegere koloniën, dus ten nadele van Cuba, Noord-Korea en Vietnam. Vasthouden aan een onmogelijk communisme leidde tot een toenemende verstarring onder een autocratische partijbovenlaag, waaraan pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw de Russische staatsman Michail Gorbatsjov (1931) een einde trachtte te maken.
Een min of meer vrije economie kwam op gang, er groeide meer vrijheid van meningsuiting en de Koude Oorlog kwam ten einde. De Oost-Europese landen kwamen vrij van Rusland en van het communisme, terwijl zelfs in China meer openheid kwam naar een wat vrijere economie; al bleven de mensenrechten allerminst gewaarborgd. Slechts enkele landen hielden nog vast aan het communisme, zoals Cuba en Noord-Korea, maar dat bracht hen in een totaal isolement. Het communisme als ideologie had afgedaan.
Auteur
H.G. Leih [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Klaus Mehnert, Peking en Moskou (Franeker, z.j. [1965])
Robert C. North, Het Chinese communisme (z.p. 1966)
J. Verkuyl, De kernbegrippen van het marxisme-leninisme (Kampen 1982)
F. Furet, Het verleden van een illusie. Het communisme in de twintigste eeuw (Amsterdam 1996)
Gerrit Voerman, De meridiaan van Moskou. De C.P.N. en de Communistische Internationale (Amsterdam/ Antwerpen 2001)