Antirevolutionair voorman (Haarlemmermeer, 22.6.1869 - Ilmeau [Duitsland] 18.9.1944)
Hendrik Colijn was afkomstig uit een orthodox- protestants boerengezin. Op zestienjarige leeftijd liet hij zich bij het leger inlijven, waar hij opklom van soldaat tot officier. In 1893 vertrok hij naar Indië. Een jaar later nam hij deel aan de strafexpeditie tegen de radja van Lombok, waarbij het onder zijn verantwoordelijkheid tot een executie van vrouwen en kinderen kwam. Ook in zijn aansluitende stationering in Atjeh deed hij zich als een harde officier kennen. Daardoor, en door zijn onmiskenbare intelligentie, zijn studiezin en zijn tomeloze ambitie, trok hij de aandacht van de gouverneur van Atjeh, generaal Van Heutsz. In 1901 benoemde Van Heutsz Colijn tot zijn adjudant. Toen Van Heutsz in 1904 tot gouverneur-generaal werd benoemd, nam hij Colijn mee naar Batavia, van waaruit hij hem met allerlei speciale opdrachten belastte.
Colijn was een van de weinige Indische officieren die een uitgesproken aanhanger was van de door Kuyper geleide Anti-Revolutionaire Partij (ARP). De oude partijleider vroeg hem deel te komen uitmaken van de antirevolutionaire Tweede-Kamerfractie. Zo nam Colijn in 1909 in de Kamer zitting. In 1911 werd hij tot minister van Oorlog benoemd. Na een succesvol ministerschap besloot Colijn zich in 1913 niet opnieuw kandidaat te stellen voor de Kamer, maar eerst zijn materiële basis veilig te stellen. In 1914 aanvaardde hij een directeursfunctie binnen het Koninklijke Shell-concern; tot 1922 zou hij bij dit concern werkzaam blijven. Colijns leidinggevend optreden in de oliesector was geen groot succes, maar maakte hem wel tot multimiljonair.
In 1922 keerde Colijn terug in de politiek: hij werd leider van de antirevolutionaire fractie in de Tweede Kamer. Twee jaar eerder, na Kuypers overlijden, was hij al voorzitter van de ARP geworden. Door zijn autoritaire inslag lag het Kamerlidmaatschap hem slecht; hij was dan ook blij dat hij in 1923 opnieuw minister kon worden, en wel van Financiën. In die positie voerde Colijn rigoureuze bezuinigingen door, waardoor hij een bij uitstek omstreden politicus werd. De Kamerverkiezingen van 1925 draaiden dan ook in sterke mate om zijn persoon. Hoewel zijn ARP verlies leed, werd hij toch tot formateur benoemd. Colijn slaagde erin een kabinet te vormen, maar dat kwam al weer na enkele maanden (in de nacht van Kersten) ten val over de kwestie van het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan. Verbitterd trok Colijn zich daarop grotendeels terug uit de Nederlandse politiek. De volgende jaren, tot 1933, zouden vooral in het teken staan van zijn werk voor de Economische Conferenties van de Volkenbond, gericht op bevordering van de vrijhandel.
In 1933 werd Colijn opnieuw premier. Velen zagen in hem de man die met vaste hand Nederland door de problemen van massawerkloosheid, gezagsondermijning en politiek extremisme zou weten te loodsen. Op sociaal-economische terrein voerden de drie kabinetten die Colijn tussen 1933 en 1939 leidde een politiek waarin de handhaving van de ‘gouden standaard’ en de sluitende begroting centraal stonden. Onder andere door innerlijke tegenstrijdigheden werd deze politiek een mislukking. Op het terrein van de buitenlandse en defensiepolitiek was er bij Colijn sprake van een zeer langdurige onderschatting van het gevaar dat van nazi-Duitsland uitging voor de Nederlandse onafhankelijkheid. Ook op koloniaal terrein kenmerkte het beleid van de kabinetten-Colijn zich door kortzichtigheid, doordat Colijn de betekenis van het Aziatisch nationalisme niet onderkende.
In de zomer van 1939 kwam het in zijn vierde kabinet tot een definitieve breuk tussen Colijn en de katholieke ministers, waarop de katholieken besloten samen te gaan regeren met de sociaal-democraten. Daarmee was Colijns politieke rol zo goed als uitgespeeld. In het begin van de Tweede Wereldoorlog publiceerde hij een defaitistische brochure, die veel ophef veroorzaakte. Nadien gingen er van Colijn verzetsimpulsen uit. Eind juni 1941 werd hij gearresteerd; via Valkenburg en Berlijn belandde hij in Ilmenau in het Thüringerwald, waar zijn vrouw zich bij hem mocht voegen. Half september 1944 bezweek hij daar aan een hartaanval.
Auteur
Herman Langeveld [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G. Puchinger, Colijn en het einde van de Coalitie. 3 delen (Kampen 1969-1993)
Herman Langeveld, Hendrikus Colijn 1869-1944. 2 delen (Amsterdam 1998-2004)
Zie ook
Hendrikus Colijn (2008)