Het geheel van mensen die zichzelf niet tot enige kerk of geloofsgroepering rekenen.
De buitenkerkelijkheid werd in de loop van de negentiende en twintigste eeuw zichtbaar in de volkstellingen die om de tien jaar plaatsvonden. In 1879 telde Nederland 0,3% buitenkerkelijken, terwijl bij de laatste volkstelling van 1971 de buitenkerkelijkheid 23,6% bedroeg. Sindsdien blijkt uit steekproefonderzoeken dat de buitenkerkelijkheid nog steeds toeneemt. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw rekent meer dan de helft van de Nederlandse bevolking zich niet tot een kerk.
Auteur
H.C. Stoffels [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]