Maatschappelijke beweging van arbeiders en andere werknemers in een geïndustrialiseerde samenleving (zie ook middenstandsorganisaties).
Het doel van een arbeidersbeweging is belangen van haar leden en van andere arbeiders en werknemers te behartigen op economisch, maatschappelijk en (veelal ook) politiek gebied. Een meer algemeen doel is de emancipatie van de arbeiders en werknemers. De strategie van een arbeidersbeweging kan een stapsgewijze hervorming van de economische en maatschappelijke orde beogen (reformisme), of het omverwerpen van die orde en het opbouwen van een nieuwe economie en samenleving (revolutie). Ideologisch is de arbeidersbeweging vaak nauw verbonden met het socialisme. Een aantal landen, waaronder Nederland, kent of kende ook een protestantse of christelijke arbeidersbeweging en een katholieke arbeidersbeweging.
De belangrijkste organisatievormen van de arbeidersbeweging zijn de vakorganisatie en de politieke partij. De politieke partij legt het accent op de strijd op politiek terrein. De vakorganisatie richt zich primair op de behartiging van economische belangen, vooral in verband met de loonarbeid. Zij kent in de regel afzonderlijke organisaties (vakverenigingen en vakbonden) voor arbeiders en werknemers in uiteenlopende beroepen of bedrijfstakken, zowel binnen als buiten de industrie. De confessionele arbeidersbeweging kende daarnaast de standsorganisatie. Deze behartigde in beginsel alle overige belangen voor werknemers, ongeacht beroep of bedrijf. Aan vak- en standsorganisaties zijn vaak gespecialiseerde instellingen verbonden, bijvoorbeeld voor scholing, huisvesting, gezondheidszorg, verzekering, sparen en coöperatieve aankoop van consumptiegoederen. Er kunnen afzonderlijke vrouwen- en jeugdorganisaties zijn.
De arbeidersbeweging in Nederland is van oorsprong vooral een reactie op de teloorgang van het geschoolde handwerk en op een verzakelijking, deels ook verslechtering, van de arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden sinds de opkomst van het industriële grootbedrijf in de jaren 1860. Er was echter al snel ook beweging onder landarbeiders en in andere niet-industriële beroepen en bedrijfstakken. Verscheidene vormen van revolutionair socialisme, zoals anarchisme, syndicalisme en communisme, speelden vanaf de late jaren 1870 periodiek een rol van enige betekenis. Een voorman in deze richting is F.Domela Nieuwenhuis.
De hoofdstroom van de arbeidersbeweging is echter sinds het begin van de twintigste eeuw reformistisch en parlementair-democratisch gezind. De belangrijkste socialistische organisaties zijn: de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP, 1894-1946), de Partij van de Arbeid (PvdA, 1946-heden) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV, 1906-1981). De confessionele vakbeweging verenigde zich in het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV, 1909-heden) en in het Bureau voor de Roomsch-Katholieke Vakorganisatie en haar opvolgsters (1909-1981). Een confessionele arbeiderspartij van betekenis is er in Nederland nooit geweest. Terwijl de socialistische organisaties in de twintigste eeuw (in elk geval in theorie) nog enkele decennia vasthielden aan de idee van klassenstrijd van arbeiders tegen de burgerlijke samenleving, bepleitte de confessionele arbeidersbeweging vanaf het begin maatschappelijke verzoening en samenwerking tussen de werkgevers en de werknemers.
Mede hierdoor werden goed overleg en samenwerking tussen de werkgevers, de werknemers en de overheid al snel kenmerkend voor de sociale verhoudingen in Nederland. Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog verwierf de democratische arbeidersbeweging erkenning als een constructieve factor in de samenleving. De bedreiging van de democratie in de jaren 1930 verbond de democratisch-socialistische arbeidersbeweging steviger aan de bestaande maatschappelijke orde. De SDAP nam in 1939 voor het eerst deel aan de regering.
Na de Tweede Wereldoorlog werd tevens een nieuw systeem van sociaal-economisch overleg gevestigd rond organen als de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-Economische Raad (SER). Het NVV en de confessionele vakcentrales werden structureel gekend in het sociaal-economisch beleid in Nederland en aanvaardden er een medeverantwoordelijkheid voor. Dit medebestuur door de vakbeweging vraagt een matiging van de eisen van de beweging en stuit periodiek op verzet bij de leden. Het is vooral in de jaren 1960 en 1970 door links-socialistische groepen aangevochten, maar herstelde zich in de jaren 1980 en handhaaft zich onder de naam ‘poldermodel’ tot in de eenentwintigste eeuw. De arbeidersbeweging droeg veel bij aan de opbouw van de verzorgingsstaat, zowel politiek als door haar rol in het bedrijfsleven.
In kerkelijke kringen ontmoette de arbeidersbeweging aanvankelijk felle tegenstand. Deze wordt deels verklaard uit het anti-godsdienstige karakter van een groot deel van de socialistische arbeidersbeweging. De kerken wijzen klassenstrijd en revolutie af. Daarnaast spelen maatschappelijk conservatisme en een gebrekkig inzicht in de sociale kwestie een rol. In protestantse kring vond het verlangen van arbeiders naar eigen organisaties in de jaren 1870 de eerste medestanders, in katholieke kring sinds het einde van de jaren 1880. De eerste confessionele arbeidersorganisaties waren doorgaans standsorganisaties. In overeenstemming met de idee van maatschappelijke samenwerking kunnen in veel gevallen ook niet-arbeiders lid zijn, zoals kleine zelfstandigen. Pioniers zijn K. Kater en W.C.J. Passtoors.
In de jaren 1890 ontstond de confessionele vakorganisatie, uitsluitend voor arbeiders en onder leiding van arbeiders. Een pionier op dit terrein was A. Ariëns. De vakorganisatie werd echter door velen in kerkelijke kring met argwaan bezien, en de katholieke vakbeweging werd tot op zekere hoogte ook onder toezicht van de kerk gesteld. Daarnaast ontkende de socialistische beweging, die zichzelf graag ziet als enig vertegenwoordigster van de arbeidersklasse, lange tijd het bestaansrecht van confessionele vakorganisaties. In de jaren rond de Eerste Wereldoorlog kreeg echter ook de confessionele vakbeweging vrij algemeen erkenning. Na de Tweede Wereldoorlog, vooral sinds de jaren 1960, nam de kerkelijke tegenstand tegen de socialistische arbeidersbeweging geleidelijk af. Daarbij speelde een rol, dat de PvdA en het NVV officieel hun anti-godsdienstige houding herzagen.
Door de verregaande integratie van de arbeidersbeweging in de bestaande maatschappelijke orde, vervaagden na 1945 de ideologische verschillen tussen socialistische en confessionele organisaties. De laatste katholieke vakcentrale, het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV), vormde in 1976 met het NVV de levensbeschouwelijk neutrale Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Een fusie onder dezelfde naam volgde in 1982. De PvdA deed afstand van veel socialistische uitgangspunten en werd meer een brede volkspartij dan een arbeiderspartij. Het CNV stelt zich als vanouds uitdrukkelijk op een christelijke grondslag.
Aan het begin van de eenentwintigste eeuw was in Nederland in sociologische noch ideologische zin sprake meer van een arbeidersbeweging van betekenis. Omdat veel verlangens van de arbeidersbeweging zijn verwezenlijkt in de verzorgingsstaat, werpen sommigen ook de vraag op naar het bestaansrecht van de vakbeweging. Aannemelijk is dat in het bestaande economische bestel behoefte blijft bestaan aan organisaties die de belangen van werknemers verdedigen. Daarnaast ontwikkelde zich een tendens naar individualisering. Werknemers vragen om een minder collectieve en meer op individuele behoeften afgestemde belangenbehartiging.
Voor de vakbeweging blijft de uitdaging het vinden van een evenwicht tussen actieve belangenbehartiging voor en namens de leden, en medeverantwoordelijkheid voor de sociaal-economische orde als geheel.
Auteur
J.M. Peet [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A.J.C. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903. Een spiegel van de arbeidersbeweging in Nederland (Leiden 1935)
‘Democratisch-socialisten’, in: J. van Putten, Politieke stromingen (Utrecht 1995), 93-156
C.N. Teulings, De plaats van de vakbeweging in de toekomst (Amsterdam 1996)
J.M. Peet, L.J. Altena, C.H. Wiedijk (red.), Honderd jaar sociaal. Teksten uit honderd jaar sociale beweging en sociaal denken in Nederland 1891-1991 (Den Haag 1998)
90 jaar CNV: over mensen en uitgangspunten. Cahier over de geschiedenis van de christelijke sociale beweging 3 (2001)