Beleid van differentiatie en gescheiden ontwikkeling van de bevolkingsgroepen op raciale grond, na 1948 ingevoerd in Zuid-Afrika door de Nationale Partij.
Net als alle koloniale samenlevingen kende Zuid-Afrika voordien sociale en politieke differentiatie en segregatie, voor een deel ook al wettelijk vastgelegd. De Nationale Partij (opgericht in 1914) streefde vooral naar een zelfstandig nationaal tehuis voor het (blanke) Afrikanervolk. Gezien de sociale en culturele verschillen en tegenstellingen tussen de bevolkingsgroepen wilde de partij een positief beleid tot behoud van de identiteit van de diverse raciale groepen, in de vorm van gescheiden ontwikkeling, sociaal, cultureel, politiek en geografisch.
De term apartheid werd in 1936 in een Afrikaner organisatie van intellectuelen voor het eerst gebruikt, als de aanduiding van een beleid van strikte politieke en maatschappelijke rassenscheiding. Uitgangspunt van dit beleid was de ongelijkheid van de rassen, maar werd al spoedig verbonden met blanke zelfverdediging en superioriteit. Apartheid werd daardoor gelijk aan ongelijkheid en ontkenning van de algemene rechten van de mens.
Het beleid van apartheid van na 1948 was een poging tot social engineering, waarvan de westerse en communistische werelden in die tijd ook diverse voorbeelden lieten zien. Fundamentele wetten voor de invoering van de apartheid waren de immoraliteitswetgeving (1949), de Bevolkingsregistratiewet (1950), de Groepsgebiedenwet (1950), de Bantoe onderwijswetgeving (1953) en de Wet op Bantoezelfbestuur (1959). Vanaf 1963 werd aan een reeks van bantoestans (Transkei, Ciskei, Bophuthatswana, Venda, Kwazulu) zelfbestuur verleend, na 1976 aan een deel zelfs de volledige onafhankelijkheid; deze werd echter door de wereldgemeenschap niet aanvaard.
De Verenigde Naties veroordeelden de apartheid en riepen sinds 1962 op tot sancties en boycot. De apartheid werd afgewezen door het African National Congress (Freedom Charter, 1955) en bestreden (Defiance Campaign, 1952), sinds 1959 met geweld. Strenge veiligheidswetten en een verbod op verzetsorganisaties zorgden voor handhaving van de apartheid. De afwijzing door premier H.F. Verwoerd van het Tomlinson-rapport (1956), dat grote investeringen ten behoeve de versnelde ontwikkeling van de geconsolideerde bantoestans eiste, en het bloedbad te Sharpeville (1960) verscherpten het debat onder de blanken over de apartheid. Daarin speelde de morele en theologische verantwoording een belangrijke rol; het leidde tot de oprichting van het Christelijk Instituut (1963) onder leiding van C.F.B. Naudé.
Kerkelijke leiders speelden later een belangrijke rol in het verzet tegen de apartheid, als behoeders van de menselijke waarden en als beschermers van de slachtoffers van het beleid. Na de onafhankelijkheid van de Portugese koloniën Angola en Mozambique herleefde het verzet. Na de Soweto-opstand (1976) verenigde de binnenlandse oppositie zich in het United Democratic Front, terwijl de regering de kleurlingen en Indiërs zitting gaf in het Driekamerparlement (1983).
Na jaren van officieuze contacten en onderhandelingen liet staatspresident F.W. de Klerk in 1990 Nelson Mandela vrij, de leider van het African National Congress (ANC), en trok de apartheidswetgeving in. In 1994 vonden algemene verkiezingen plaats en werd Mandela president.
Auteur
G.J. Schutte [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Richard Elphick and Rodney Davenport eds., Christianity in South Africa. A Political, Social and Cultural History (Cape Town 1997)
B.J.H. de Graaff, Apartheid. Een aanzet tot begripsbepaling (Amsterdam 2000)
Hermann Giliomee, The Afrikaners. The biography of a people (Charlottesville-Cape Town 2003)