Het woord ‘antisemitisme’ verscheen in de tweede helft van de negentiende eeuw. De term suggereert een afwijzing van alle ‘semieten’, terwijl het de facto enkel betrekking had op het joodse volk in Europa.
De term heeft een veelvoud aan betekenissen. In het alledaags spraakgebruik komen allerlei aspecten bij elkaar, van biologisch racisme tot antizionisme, van religieus vooroordeel tot discriminatie. In de wetenschappelijke literatuur heerst eveneens meerstemmigheid. In een aantal gevallen wordt het woord ‘antisemitisme’ strikt beperkt tot een raciale visie op joden. Anderen hanteren een ‘brede’ definitie: het hebben van negatieve vooroordelen over joden. Het voordeel van deze brede definitie is dat verschillende vormen van anti-joodse vooroordelen gezien worden als een samenhangende, potentieel onderling op elkaar inwerkend en elkaar versterkend historisch geheel. Binnen dit brede geheel kan men een onderverdeling in vier soorten maken:
a. religieus gefundeerd antisemitisme;
b. sociaal-economisch antisemitisme;
c. politiek antisemitisme;
d. raciaal antisemitisme.
Religieus antisemitisme, ook wel aangeduid als ‘katechese der verguizing’, bevat een negatief godsdienstig vooroordeel over joden. Zij waren en zijn collectief verantwoordelijk voor de kruisdood van Jezus. Deze moord op Jezus wordt een ‘godsmoord’ (deicide) genoemd. Daarvoor worden de joden sindsdien gestraft met vervolging en verdrijving. Er rust een goddelijke vloek op het joodse volk, die ook impliceert dat het tot het einde der tijden gedoemd is te zwerven, zonder een eigen vaderland (Ahasverus-legende).
Op grond hiervan werd ook het moderne zionisme afgewezen. In de Middeleeuwen werden aan dit vooroordeel nieuwe thema’s toegevoegd: joden werd een haat tegen het christendom verweten, de talmud werd gezien als een gewelddadig, amoreel boek, joden brachten de maatschappij in gevaar door hun ‘woekerpraktijken’, joden zouden hostieschennis plegen, joden zouden christenkinderen ritueel vermoorden en de waterbronnen vergiftigen. Dit religieuze antisemitisme heeft in de Middeleeuwen tot pogroms en verdrijvingen geleid. De kerkelijke leiding probeerde matigend op te treden, maar voerde zelf ook een systeem van segregatie in (gele cirkel, getto, verbod op huwelijk). In deze tijd beginnen ook de eerste stereotiepen te verschijnen die in het latere raciale antisemitisme een rol spelen: joden worden afgebeeld als varkens, als wangedrochten, als dierlijke duivels.
Eind negentiende eeuw kregen veel van deze religieuze vooroordelen en stereotiepen een nieuw leven binnen het antisemitisme van die dagen, met name in Frankrijk en Duitsland. Deze kregen ook in Nederland de nodige aandacht, speciaal onder ultramontaanse katholieken. Daarnaast verscheen er aan het einde van de negentiende eeuw een modern antisemitisme. Allereerst een sociaaleconomisch antisemitisme: joden zijn de drijvende kracht achter de kapitalistische omwenteling en economische uitbuiting. Daarnaast een politiek antisemitisme: een politieke mythe die in de joden binnen de moderne natiestaten van Europa een staatsgevaarlijke ‘vijfde colonne’ ziet, verbonden met een geheime wereldorganisatie die zich de destabilisatie van ‘law and order’ tot doel stelt.
De joden worden gezien als de drijvende kracht achter een veelvoud aan politieke revoluties, achter het socialisme en later het communisme, achter anarchisme en feminisme, maar ook achter vrijmetselarij, kritische journalistiek, kapitalistische overmacht en neomalthusianisme. De door de geheime dienst van tsaar Nicolaas II vervalste Protocollen van de wijzen van Sion verschenen in 1903 en vormden een voorlopig hoogtepunt van dit politieke antisemitisme. Dit geschrift werd na 1918 een van de belangrijke bronnen voor het antisemitisme van de nazi’s. Het sociaal-economisch en politieke antisemitisme drong ook door binnen de kerken en het christelijk milieu.
In Nederland had de mythe over een joodse samenzwering, over joodse woeker en soms over rituele moorden aanhang onder ultramontaanse katholieken aan het einde van de negentiende eeuw en later onder de culturele beweging van Katholieke Jongeren en katholieke standsorganisaties voor arbeiders in de jaren dertig van de twintigste eeuw. In de protestantse wereld zijn de antisemitische uitlatingen van de antirevolutionaire politicus Abraham Kuyper, van W. ten Boom (de Nederlandsche Vereeniging voor Israël) en van de predikant Francis van Gheel Gildemeester te noemen. Vaak was dit sociaal-economische en politieke antisemitisme verbonden met anti-judaisme en religieus antisemitisme.
In de negentiende eeuw verscheen ook een modern, raciaal antisemitisme. Op basis van een sociaal darwinisme werd een biologisch gekleurde rassentheorie verdedigd (survival of the fittest), waarbij het blanke ras, of speciaal het ‘arische ras’, aan de top van een rangorde geplaatst werd. Joden stonden laag op deze raciale ladder, zij vormden een parasitair ‘mengras’ van ‘Untermenschen’. Het antisemitisme van de nazi’s is de consequente uitvoering van dit raciaal antisemitisme. De vervolging van de joden in nazi-Duitsland, in 1933 begonnen met een economische vervolging en voortgezet als een raciale segregatie (rassenwetten van Neurenberg 1935), nam de gestalte aan van een pogrom (november 1938) en mondde uit in een totale oorlog tegen het joodse volk, de zogenaamde Endlösung.
Het raciale antisemitisme van de nazi’s kon op weinig steun rekenen vanuit het christendom. Het werd afgewezen als een vorm van ‘nieuw heidendom’, strijdig met de visie in het bijbelboek Genesis. De leer over de eenheid van het mensengeslacht, de afstamming van één ouderpaar (Adam en Eva) en de leer dat de mens ‘een beeld van God (imago Dei)’ is, wierp een hoge drempel op. Er hebben in de marge christenen bestaan, bijvoorbeeld in de kring van Duitse Christenen, die deze rassentheorie wel aanhingen.
Na de sjoa en het einde van de Tweede Wereldoorlog kwam een bezinningsproces binnen de christelijke kerken op gang. Vraag was of het christendom met haar anti-judaïsme, haar religieus antisemitisme en niet zelden ook een sociaal-economisch en politiek antisemitisme (mede)verantwoordelijk was voor het moderne antisemitisme en voor de daaruit voortvloeiende jodenvervolging. In de katholieke wereld speelde de felle beschuldiging aan het adres van paus Pius XII in het overigens niet geheel op historische feiten berustende toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhuth (1963) een katalyserende rol. In de protestantse kerken speelde de schaamte over de nazi-sympathie onder de ‘Duitse Christenen’, een meerderheid binnen de protestantse kerken in Duitsland vóór de oorlog, een grote rol.
In een traag proces van zelfkritische bezinning werd langzaam maar zeker erkend dat anti-judaïsme en christelijk antisemitisme een voedingsbodem geweest zijn voor het moderne antisemitisme. Het Tweede Vaticaanse Concilie wees in de constitutie Nostra Aetate de visie op collectieve schuld van het joodse volk voor de dood van Jezus van de hand en veroordeelde elke vorm van antisemitisme. Paus Johannes Paulus II sprak in de jaren negentig van de twintigste eeuw definitief een ‘mea culpa’ uit, zonder overigens de rol van Pius XII ter discussie te stellen. Maart 1998 publiceerde de Vaticaanse Commissie voor Religieuze Relaties met de Joden het document Wij herinneren ons. Een beschouwing over de Sjoa.
De Nederlandse bisschoppen publiceerden in 1995 hun brief Levend uit één en dezelfde wortel. Gevolgd in 1999 door de brief Levend met één zelfde hoop. Ook in de protestantse wereld kwam na 1945, gestimuleerd door een aantal voormannen uit de traditie van de ‘Belijdende Kerk’, een bezinningsproces op gang. Genoemd kan worden de verklaring van de ‘rijksbroederraad’ van de Evangelische Kerk in Duitsland al in 1948; de verklaring The Christian Approach to the Jews van de Wereldraad van Kerken, bijeen in Amsterdam 1948, gevolgd door een Resolution on Anti-Semitism tijdens de derde bijeenkomst in 1961. Ook genoemd kan worden de gezamenlijke verklaring van de Evangelische Kerk uit Oost- en West-Duitsland in 1988, bij de herdenking dat 50 jaar daarvoor de novemberpogrom plaats vond.
In Nederland erkende de Raad van Kerken in een Verklaring betreffende het hardnekkig antisemitisme, bestemd voor christenen en kerken in Nederland (1981) expliciet een medeverantwoordelijkheid voor de sjoa.
Zie ook: anti-judaïsme en antizionisme.
Auteur
Theo Salemink [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Léon Poliakov, Geschichte des Antisemitismus, I – VIII (Worms 1977-1988)
Janrense Boonstra, Hans Jansen, Joke Kniesmeyer, Antisemitisme. Een geschiedenis in beeld (Den Haag 1989)
Johan M. Snoek, De Nederlandse kerken en de joden 1940-1945 (Kampen 1990)
Jan Ramakers, ‘De houding van de Nederlandse katholieken tegenover de joden 1900-1940’, in: D. van Arkel e.a., Van Oost naar West. Racisme als mondiaal verschijnsel (Baarn 1990), 87-100
Theo Salemink, ‘Die zwei Gesichter des katholischen Antisemitismus in den Niederlanden. Das 19. Jahrhundert und die Zeit zwischen den Weltkriegen im Vergleich’. In: Olaf Blaschke en Aram Mattioli (Hg), Katholischer Antisemitismus im 19. Jahrhundert (Zürich 2000), 239-257
Jan Bastiaanse, De Jodenzending en de eerste decennia van de Hervormde Raad voor Kerk en Israël (Zoetermeer 1995)
Gert van Klinken, Opvattingen in de gereformeerde kerken in Nederland over het Jodendom 1896-1970 (Kampen 1996)
Urs Altermatt, Katholizismus und Antisemitismus. Mentalitäten, Kontinuitäten, Ambivalenzen, (Frauenfeld/ Stuttgart/Wien 1999)