Recht van mannen en vrouwen om deel te nemen aan verkiezingen voor vertegenwoordigende organen, zowel actief (stemrecht) als passief (gekozen kunnen worden), in plaats van door een klasse van deskundigen of een groep belastingbetalers.
Terwijl de negentiende-eeuwse liberalen de rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer wilden binden aan beperkingen van maatschappelijke welstand, streden de socialisten vanaf 1848 voor algemeen kiesrecht. De antirevolutionair A. Kuyper meende dat de gezinshoofden als kiezers van het politieke volksorgaan in aanmerking zouden moeten komen, waarmee in ieder geval ook de armen kiesrecht zouden krijgen. In 1916 meende hij dat het kiesrecht ook toegekend hoorde te worden aan de zelfstandig werkende ongehuwde vrouw. Dat werden kort daarna, in een uitruil met de subsidie van bijzonder onderwijs (de zogenaamde Pacificatie van 1917) alle vrouwen. Algemeen kiesrecht past in het perspectief van volkssoevereiniteit en de natuurlijke gelijkheid van mensen voor God.
Auteur
J.W.Sap [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.H. Zwager, De motivering van het algemeen kiesrecht in Europa. Een historische studie. (Groningen 1958)
L. Prakke, J.L. de Reede, G.J.M. van Wissen, Van der Pot-Donner. Handboek van het Nederlandse staatsrecht (Deventer 2001)
Gert van Klinken, Actieve burgers. Nederlanders en hun politieke partijen 1870-1918 (Amsterdam 2003)