Sinds de opkomst van de universiteiten in de Middeleeuwen hebben universiteiten altijd een theologische faculteit gehad, die met name fungeerde voor de opleiding van priesters.
Na de Reformatie bleven in Nederland de theologische faculteiten de aangewezen opleidingen voor het ambt van predikant in de gereformeerde kerk. Kleine kerkgenootschappen vestigden daarnaast vaak een eigen ‘seminarium’ bij een universiteit voor een aanvullende opleiding van eigen predikanten. Rooms-katholieke priesterstudenten werden onder meer opgeleid aan de universiteiten van Leuven en Keulen. Het Concilie van Trente wenste de priesteropleiding over te brengen naar internaten, zogeheten seminaries. In Nederland werden deze rond 1900 opgericht. Priesterstudenten behaalden sindsdien slechts incidenteel een academische graad. Vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw werd dit wat gebruikelijker.
Door verschillende afscheidingen ontstond er ook binnen het Nederlandse protestantisme behoefte aan eigen predikantenopleidingen. Er ontstonden confessionele theologieopleidingen aan de Vrije Universiteit (Gereformeerde Kerken, 1880), in Kampen (Gereformeerde Kerken, 1854, Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, 1944) en Apeldoorn (Christelijk Gereformeerde Kerken, 1894).
Ook de R.K. Universiteit (1923) had een theologische faculteit, maar tot 1964 alleen als ‘kopstudie’ na een priesteropleiding. Halverwege de jaren zestig werden de toen talrijke katholieke seminaries en de priesteropleidingen van kloosterorden en congregaties samengevoegd tot vijf theologische hogescholen in Eindhoven, Amsterdam, Utrecht, Tilburg en Heerlen. Door fusies zijn er thans nog twee over, de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht en de Theologische Faculteit Tilburg, naast de Nijmeegse faculteit. In 2004 kondigden deze drie opleidingen een gedeeltelijke fusie aan. Sinds enkele decennia hebben alle bisdommen weer eigen priesteropleidingen, die meestal nauw met academische theologische opleidingen samenwerken.
In 1987 werden alle hogescholen omgedoopt in universiteiten. Daarnaast ontstonden er halverwege de twintigste eeuw mogelijkheden voor een zogeheten MO-opleiding voor godsdienstleraar. Binnen het hoger beroepsonderwijs (hbo) hebben deze opleidingen zich ontwikkeld tot volwaardige beroepsopleidingen theologie, die in veel gevallen door de kerken worden erkend als basis voor een kerkelijk ambt. Belangrijke hbo-opleidingen zijn de Fontys-hogescholen (Tilburg, Sittard, Hengelo, Amsterdam), de Christelijke Hogeschool Windesheim (Zwolle) en de Christelijke Hogeschool Ede.
Auteur
Lodewijk Winkeler [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800, 24(2001), nr. 54, themanummer ambtsopleidingen
„Universiteit moet predikant leren nadenken”