Onderwijs dat zich richt op kinderen die vanwege een zintuiglijke, lichamelijke of verstandelijke beperking niet aan het gewone onderwijs kunnen deelnemen.
Tot 1985 werd dit aangeduid als buitengewoon onderwijs. De geschiedenis van het speciaal onderwijs begint met het dovenonderwijs in 1792. Vervolgens kwam het blindenonderwijs tot stand in Amsterdam in 1808. De predikant C.E. van Koetsveld maakte in 1856 een aanvang met het zwakzinnigenonderwijs. Lichamelijk gehandicapten moesten tot de twintigste eeuw wachten op hun eigen onderwijs in de Johannastichting in Arnhem en de Adrianastichting in Rotterdam.
In de eerste scholen voor gehandicapten vormde godsdienst een belangrijk onderdeel; de stichters waren ook gedreven door religieuze motieven: ieder mens is in Gods ogen waardevol en verdient een goede behandeling. Gehandicapte kinderen moesten leren God dankbaar te zijn en hem als hun Schepper te erkennen. Dit algemeen christendom was echter onvoldoende voor katholieken, die in hun parochies werden geconfronteerd met doven en blinden. Zij kwamen in 1840 en 1846 met hun eigen doven- en blindeninstituut in respectievelijk St-Michielsgestel en Grave.
Gereformeerden volgden op grote afstand. Door toedoen van C. Lindeboom kwam in 1892 Effatha (doven) tot stand in Voorburg, in 1891 ’s Heeren Loo in Ermelo voor verstandelijke gehandicapten en in 1919 Bartimeus (blinden) in Huizen. Dat ging gepaard met de schuldbelijdenis dat zulke kinderen zo lang verwaarloosd waren en verstoken waren van ‘eigen’ onderwijs. De schoolstrijd had zolang alle aandacht gevergd,dat speciaal onderwijs relatief lang buiten het blikveld bleef.
Na de invoering van de leerplicht in 1901 groeiden met name de scholen voor zwakzinnige kinderen spectaculair; zij vormden gedurende de hele twintigste eeuw de grootste categorie binnen het speciaal onderwijs. Zij werden aanvankelijk aangeduid als ‘BLO-scholen’ (BLO=Buitengewoon Lager Onderwijs). Geleidelijk na 1950 deed zich een differentiatie voor en kwamen er nieuwe benamingen voor onderscheiden groepen scholen. Kinderen met een specifieke leer of gedragsprobleem maar normale intelligentie, konden terecht op de scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM), licht zwakzinnigen op scholen voor moeilijk lerende kinderen (MLK) en moeilijk opvoedbare kinderen (MOK) en ernstiger vormen op scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) en zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK).
Na 1985 zijn LOM, MOK en MLK opgegaan in scholen voor speciaal onderwijs (SO). Voor lichamelijk gehandicapten zijn na 1945 mythylscholen en tythylscholen (voor meervoudig gehandicapten) ontstaan.
Toenemende professionalisering (opkomst van de orthopedagogiek) en specialisering gekoppeld aan ontzuiling hebben na 1960 geleid tot intensieve samenwerking tussen instellingen. Zij kregen vooral een regionale functie. Daardoor en door de stichting van nevenvestigingen behoort de gestichtsverpleging grotendeels tot het verleden. Kinderen wonen bij voorkeur thuis. De scholen voor speciaal onderwijs doen ook dienst als expertisecentra voor het gewone basisonderwijs en voortgezet onderwijs, die in toenemende mate geacht worden kinderen met een beperking op te vangen (beleid van ‘Weer Samen naar School’ en van het ‘rugzakje’ na 1985).
Auteur
Joke Rietveld-van Wingerden [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W.A. van Liefland, Het buitengewoon onderwijs in de zorg voor gehandicapten (Groningen 1959 3de druk)
T. Jak, Armen van geest. Hoofdstukken uit de geschiedenis van de Nederlandse zwakzinnigenzorg (Amsterdam 1988)
T. Jak, Huizen van barmhartigheid. Zorg voor zwakzinnigen in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw, met bijzondere aandacht voor ’s Heerenloo (Amersfoort 1993)
D. Graas, Zorgenkinderen op school. Geschiedenis van het speciaal onderwijs in Nederland, 1900-1950 (Amsterdam 1996)
F. de Hoop, D.J. Janson, A.H. van Kooten (red.), Gaan alle kinderen naar de basisschool? (Baarn 1998)