Opleiding tot priester in de Rooms-Katholieke Kerk.
Door het Concilie van Trente werd deze opleiding toevertrouwd aan groot- en kleinseminaries. De grootseminaries ontstonden kort na het concilie, omdat de priesteropleidingen tot dan toe onvoldoende waren geweest. De meeste kleinseminaries ontstonden na de Franse Revolutie, vanaf circa 1815. Tot het midden van de jaren zestig van de twintigste eeuw bleef deze wijze van priesteropleiding bijna ongewijzigd bestaan. In Nederland kregen veel kleinseminaries in de jaren vijftig de status van door de staat erkende gymnasia.
De behoefte aan een betere priesteropleiding op universitair niveau, en het toenemende gebrek aan academisch gevormde godsdienstleraren, leidde medio jaren zestig van de twintigste eeuw in enkele jaren tot de opheffing van vrijwel alle grootseminaries en tot hun concentratie in zes theologische instituten: Utrecht, Amsterdam, Tilburg, Eindhoven, Heerlen en de al vanaf 1923 bestaande Theologische Faculteit van de Radboud Universiteit te Nijmegen. Eindhoven werd in 1969 opgeheven. In de jaren zeventig verwierven de overige de status van door de staat erkende en gesubsidieerde theologische faculteiten. Geleidelijk verdween echter ook het aspect van de priesteropleiding: de faculteiten leverden academisch gevormde theologen af, mannen en vrouwen, van wie velen wel in dienst van de Kerk kwamen, maar niet als priester.
Het priestercorps in de bisdommen en bij de orden en congregaties begon in snel tempo te verouderen. Omdat de faculteiten slechts mondjesmaat een priester leverden, ging de bisschop van Roermond, J.M. Gijsen, als eerste over tot herstel van de seminarieopleiding: Rolduc (1974). Hoewel aanvankelijk alleen de eind 1970 benoemde bisschop van Rotterdam, A. Simonis, het Roermondse initiatief steunde, kwamen langzamerhand verschillende seminaries terug. In Haarlem ontstond het Willibrordushuis (sinds 1997 als seminarie in Vogelenzang), en in Den Bosch het St. Janscentrum 1986, waar onderwijs en vorming in één huis samengingen. In het aartsbisdom Utrecht houdt het Ariënsconvict (1979) banden met de Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht (waarin die van Amsterdam is opgenomen). De opleiding van het bisdom Breda (1983) in Bovendonk, het vroegere grootseminarie in Hoeven, heeft een eigen karakter; het geeft onderwijs in deeltijd. In het bisdom Rotterdam functioneert het Centrum Vronestijn te Voorburg, in samenwerking met het Ariënsconvict en Bovendonk.
Thans staan twee vormen van theologische opleiding naast elkaar: universitaire (Nijmegen, Utrecht en de Theologische Faculteit Tilburg) en grootseminaries. Het priestergebrek in de Nederlandse Rooms-Katholieke Kerk wordt echter steeds nijpender.
Auteur
J. Peijnenburg [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]