Onderwijs dat zich speciaal richt op doven en slechthorenden.
In 1792 begon H.D. Guyot in Groningen met zijn dovenschool (de tegenwoordige Guyotschool), die in navolging van Epée in Parijs, de gebarentaal hanteerde. In 1840 volgde die van katholieken in St-Michielsgestel (de tegenwoordige Viataal). Hirsch bracht in 1853 in de Rotterdamse dovenschool een kentering door naar Duits voorbeeld de spreektaal, het liplezen te introduceren, omdat het beter zou zijn voor de maatschappelijke participatie van doven.
Na 1880 volgden andere dovenscholen dat voorbeeld, inclusief Effatha en de neutrale dovenschool (1910) in Amsterdam de (tegenwoordige Ammanschool). De katholieke school volgde in 1905, nadat deze de opvatting liet varen dat gebarentaal voor religieuze vorming zo belangrijk was. Na 1990 kwam er een kentering onder Amerikaanse invloeden: dovenscholen gingen over op tweetalig onderwijs (gebaren- en spreektaal). Zie ook: speciaal onderwijs.
Auteur
Marjoke Rietveld-van Wingerden [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. Rietveld-van Wingerden, ‘Educating the deaf in the Netherlands: a methodological controversy in historical perspective’, in: History of education, XXXIV, 2003, 4, 401-416