Artikel uit de Grondwet, dat handelt over het onderwijs in Nederland.
Het eerste lid stelt dat het onderwijs een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering is. Het tweede lid bevat de vrijheid om onderwijs te geven en dateert uit 1848. Hieronder valt de vrijheid om scholen te stichten (zie onderwijsvrijheid). Het derde lid bevat de levensbeschouwelijke neutraliteit van het openbaar onderwijs. Het vierde lid bevat het principe van de alomtegenwoordigheid van de openbare school: in beginsel dient er in elke gemeente een openbare basisschool te zijn (1848). Volgens het vijfde en zesde lid dient voor het bijzonder onderwijs de vrijheid van richting in acht genomen te worden en de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers te worden geƫerbiedigd. Het zevende lid bevat de financiƫle gelijkstelling van het bijzonder aan het openbaar algemeen vormend lager onderwijs (1917). Dit recht kon worden opgenomen, omdat tegelijkertijd het algemeen kiesrecht in de grondwet werd opgenomen.
Auteur
A. Postma [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A. Postma, Handboek van het Nederlandse onderwijsrecht (Zwolle 1995).