Afwijzing van toneelspel.
Het verschijnsel heeft in de christelijke traditie oude papieren: al bij de kerkvaders Tertullianus, Cyprianus, Lactantius, Chrysostomus en Augustinus was er sprake van, op grond van het heidense karakter ervan. Afgoderij en zedeloosheid waren de voornaamste bezwaren. In de Middeleeuwen stond de kerk tolerant tegenover het zich ontwikkelende geestelijk drama. Toch was er soms sprake van heftige bezwaren, die vooral te maken hadden met de lekentheologie en het lichtzinnige karakter van de spelen. In Frankrijk, Italië en Spanje was de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw uiterst strikt: toneelspelers werden zelfs geëxcommuniceerd. Later was het vooral de stroming van het jansenisme in de Rooms-Katholieke Kerk die afwijzend stond ten opzichte van het toneel.
Hoewel ook humanisten als Erasmus, Vives en later Rousseau toneelspel afkeurden, was vooral onder protestanten de toneelbestrijding heftig. Puriteinen en calvinisten voerden de oude argumenten aan: heidense oorsprong, zondagsontheiliging, profanatie van de bijbel, zedeloosheid, zielsbederf, verdorven karakter van acteurs, zonde als spel, verspilling van tijd en geld. Men streefde naar een verbod, waarbij meestal een uitzondering gemaakt werd voor het schooldrama.
In Nederland spraken gereformeerde synoden, classes en kerkenraden zich sinds 1578 negatief uit ten opzichte van het toneelspel. Talrijke geschriften werden aan de kwestie gewijd, onder meer door Nolthenius, Udemans, Amesius en Rivet. In de tweede helft van de zeventiende eeuw werd toneelbestrijding meer en meer een thema van piëtisten als Voetius en Wittewrongel, die zelfs het schooldrama afwezen. Vervolgens koos de hoofdstroom van de Gereformeerde Kerk in Nederland toch voor schoorvoetende acceptatie van ‘verantwoord’ drama.
In de negentiende eeuw waren het vooral vertegenwoordigers van Réveil, Afscheiding en Doleantie, die terughoudend stonden ten opzichte van het toneel. Abraham Kuyper voegde een extra tegenargument aan de bestaande toe: het is niet goed om een rol te spelen, dat dwarsboomt de juiste karakterontwikkeling en leidt tot leven in een schijnwereld. Tableaux vivants werden wel toegestaan. In de loop van de twintigste eeuw hielden slechts de bevindelijk-gereformeerden – op grond van de oude argumenten – vast aan de afwijzing van toneel en film.
Auteur
Enny de Bruijn [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.J. Mak, ‘De gereformeerden en het toneel’, in: Spiegel der Letteren 3 (1959)
J. Wille, ‘De gereformeerden en het tooneel tot omstreeks 1620’, in: J. Wille, Literair-historische opstellen (Zwolle 1963)
H. Kindermann, Theatergeschichte Europas, 9 dln., (Salzburg 1957-1974)