Duits protestants componist (Köstrich 8.10.1585 - Dresden 6.11.1672)
Reisde van 1609 tot 1628 diverse malen naar Italië waar hij kennis maakte met de nieuwe, voor barokmuziek zo typerende basso continuo-stijl. De kenmerken hiervan verenigde hij met zijn protestantse achtergrond. Protestants in zijn muziek is de voorliefde voor teksten in de Duitse taal, wat hem bindt met vrijwel alle Duitse barokcomponisten; en voor metrisch en ritmisch sterk vereenvoudigde gregoriaansachtige melodieën, ondersteund door een harmonisch verloop met een duidelijk metrisch gestuurde cadans. Italiaans is de behoefte aan opera-achtige madrigalismen (woordschildering) en een melodielijn die soms los lijkt te staan van de baslijn. In de composities die hij na 1630 schreef, overheerst meer het Duitse protestantse element. Met zijn symbiose van Duitse protestantse en Italiaanse katholieke stijlelementen had hij grote invloed op Bach en Brahms.
Zijn belangrijkste werken zijn onder andere Canciones sacrae (1625), Psalmen Davids (1628), Symphoniae sacrae (1629), Musikalische Exequien (1636), Geistliche Konzerte (deel I uit 1636, II uit 1639).
Auteur
Emanuel Overbeeke [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]