Stijl in de kunst, vanaf ongeveer 1420 ontwikkeld in Italië, die in de periode van 1500 tot 1530 een evenwicht bereikte dat eeuwenlang gold als klassiek.
De renaissance breidde zich zo sterk over kunsten en levensvormen uit, dat de term ook een type cultuur kan aanduiden. De plattegrond van een renaissancekerk demonstreert al een breuk met voorgaande stijlen. Het Latijns kruis is ingewisseld voor een Grieks kruis, typerend voor ‘centraalbouw’. Een voornaam kenmerk van de middeleeuwse godshuizen, de naar het altaar wijzende lengterichting, ontbreekt. Ook de naar boven wijzende toren is afwezig. Een koepel bekroont het bouwlichaam. Visueel keert de opgaande beweging van deze halve bolvorm naar de aarde terug. Naar het voorbeeld van de ronde antieke tempel ontstaat een in zichzelf rustend geheel. Het religieuze zwaartepunt komt binnen aardse dimensies te liggen. Het volmaakte laat zich hier beneden realiseren. God is niet allereerst verlosser, maar schepper. De mens, als hij scheppend kunstenaar is, krijgt het predikaat divino (goddelijk). Maande de middeleeuwse architectuur tot nederigheid, de bouwkunst van de renaissance verkondigde waardigheid. Een van de belangwekkendste filosofen uit de neoplatoonse school, Pico della Mirandola (1463-1494), werkte dit uit in zijn rede Over de waardigheid van de mens (1486).
Op het gebied van de letteren is de renaissance voorbereid door Petrarca (1304-1374), die het gangbare waardestelsel in z’n tegendeel veranderde. In zijn epos Africa (1338) interpreteerde hij het tijdvak waarin ‘de naam van Christus vereerd begon te worden in Rome’ als het begin van een ‘donkere’ tijd. Hij hoopte op terugkeer van de antieke cultuur en wenste dat zijn nakomelingen zouden wandelen in de ‘zuivere glans’ van dat verleden. Het algemene leidmotief was ‘terug naar de klassieken’. Hiervoor werden bijbelse typeringen gebruikt: ontwaken, heerlijkheid, wederopstanding, wedergeboorte. Maar de oudheid herleefde niet. Men selecteerde, idealiseerde of voorzag de beschikbare bronnen van moraliserend commentaar. Het gezag van de klassieke schrijvers functioneerde binnen het raam van de Latijnse christenheid. Op het terrein van de beeldende kunsten behoorden, naast vorsten en bankiers, pausen en kardinalen tot de belangrijkste opdrachtgevers.
In de schilderkunst was de wending al eerder voorbereid door Giotto (1267-1337). Zijn optreden markeerde een breuk met de iconen uit de Byzantijnse traditie. In de Scrovengi-kapel (Padua) plaatste hij, rond 1305, zijn figuren niet langer tegen een gouden achtergrond, maar onder een blauwe hemel, in een ruimte waarin ze zich vrij bewogen. Omstreeks 1400 erkende Cennini (1415-1483) met terugwerkende kracht, dat Giotto de man was die ‘de schilderkunst uit het Grieks [Byzantijns] had vertaald in het Latijn’. Dit was opmerkelijk omdat picturaal geen directe voorbeelden uit de oudheid bewaard gebleven waren. Veel meer dan zijn schrijvende collega’s moest de schilderende Giotto het hebben van zijn eigen observatie.
De schilderkunst ontdekte de meetkundige verantwoording van het perspectief en werd in principe verheven tot dezelfde rang als de woordkunst. Naast het grondthema ‘terug naar de klassieken’ ontwikkelde zich een tweede leidmotief: ‘terug naar de natuur’. Tussen deze beide oriëntaties in verwierf de beeldhouwkunst vanaf Donatello (1383-1466) een sterke positie. Gezocht werd naar de ideale verhoudingen van het menselijk lichaam, waar ook de allergrootste schilders naar bleven speuren: Leonardo, Rafaël, Titiaan (ca. 1488-1576).
De benaming renaissance (rinascita) stamt van Giorgio Vasari (1511-1574). Hij doelde ermee op ‘wedergeboorte van de kunst’ (1550). De vondsten vanaf Giotto plaatste hij in één ontwikkelingsperspectief met als hoogtepunt de ‘goddelijke’ Michelangelo. Tussen de Italiaanse renaissance en de gelijktijdige kunst in Vlaanderen bestond een voortdurende wisselwerking. Jan van Scorel (1495-1562) bracht de stijl naar de Nederlanden.
Auteur
Willem L. Meijer [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Erwin Panofsky, Renaissance and Renascences in Western Art (London 1965 2de druk)
Giorgio Vasari, De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten (Amsterdam 1998)