Volkscultuur kan gedefinieerd worden als dat wat afwijkt van het maatschappelijk dominante, bovenlokale, geletterde, elitaire cultuurpatroon.
De religieuze volkscultuur is de optelsom van die elementen van de religieuze beleving van de leken, die afwijken van de door de kerkelijke overheid gedecreteerde voorschriften en geloofsinhoud. Volkscultuur en religieuze volkscultuur zijn geen statische begrippen. Zoals de officiële cultuur voortdurend in verandering is, zo geldt dat ook voor de (religieuze) volkscultuur. Problematisch blijft bovendien wat onder ‘cultuur’ en ‘volk’ verstaan moet worden. Bovendien staan de cultuur en officiële religie in voortdurende wisselwerking met de (religieuze) volkscultuur.
Gedurende de Middeleeuwen was de afstand tussen de cultuur van het volk en die van de clerus niet groot; er was sprake van een permanente wisselwerking. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw trokken de kerkelijke en burgerlijke elites zich steeds meer terug uit de cultuur van het volk. De kerkelijke overheid verbood de clerus deel te nemen aan allerlei volksgebruiken. Reformatie en contrareformatie scherpten ieder op hun eigen wijze de geloofsinhoud en de religieuze praktijk aan. Predikanten en priesters keerden zich tegen het bijgeloof van het gewone volk. De kloof tussen volk en elite werd groter. Binnen de katholieke kerk waren de priesters gesacraliseerd en ver verheven boven het volk. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft deze kloof gedeeltelijk gedicht. Juist in de jaren zestig van de twintigste eeuw echter werden veel vormen van religieuze (volks)cultuur door het progressieve deel van de katholieke clerus afgeschaft.
Thans is weer een omslag te constateren, zoals onderzoek naar bedevaarten heeft aangetoond. Evenals bij de (volks)devotie blijven de grenzen tussen het officieel voorgeschrevene en de volkse praktijk vaak vloeiend. Een groot aantal fenomenen kan tot het domein van de religieuze volkscultuur gerekend worden, zoals processies, bedevaarten, bidtochten, oogstdankstoeten en -feesten, kaarsen branden, fakkeloptochten, Sint-Luciafeest, Sint-Maartensvuren, pinkstergebruiken, mirakelspelen, passiespelen, carnaval, veldkapellen, wegkruisen, spijkers offeren als afweer tegen ziekten, linten binden in bomen, branden van honden met een Hubertussleutel tegen hondsdolheid, grafversiering, gezegend water, brood en zand, palmtakjes, kruidwis, kerststal, kerstboom, adventskrans, paaseieren, amuletten, medailles, scapulieren, devotieprentjes, gedrukte huis- en stalzegens, huisaltaren, reliekkastjes.
Auteur
Antoine Jacobs [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Gerard Rooijakkers en Theo van der Zee (ed.), Religieuze volkscultuur. De spanning tussen de voorgeschreven orde en de geleefde praktijk (Nijmegen 1986)
Peter-Jan Margry en Charles Caspers (ed.), Bedevaartplaatsen in Nederland, 4 delen (Amsterdam/Hilversum 1997-2004)