Tot het eind van de negentiende eeuw bestond de protestantse letterkunde niet als afzonderlijk verschijnsel.
Vooraanstaande schrijvers als Bilderdijk, Beets en Bosboom-Toussaint drukten hun protestantse stempel op bijna de hele literatuur. Vanaf omstreeks 1880 echter, werden de predikant-dichters (Beets, De Genestet, Hasebroek, Ten Kate) ideologisch weggedrukt door het ongelovige individualisme en impressionisme van de Tachtigers. Om te overleven en invloed te kunnen uitoefenen gingen vele protestantse schrijvers zich, beïnvloed door het Réveil en in het spoor van Abraham Kuyper, profileren in een eigen zuil. Met hun eigen tijdschriften en uitgevers hadden zij als doelstelling: het opvoeden van het protestants-christelijke volksdeel en het stimuleren van een protestants-christelijke literatuur. G.F. Haspels was een van de eersten die, in 1898, openlijk kritiek had op het lage peil van de christelijke literatuur, die ver achterbleef bij het niveau van de Tachtigers. Een apart christelijk tijdschrift wenste hij niet. Zelf zat Haspels in de redactie van Onze Eeuw, een blad van liberale signatuur, waarin belangrijke protestantse dichters en schrijvers als Jacqueline van der Waals, Geerten Gossaert en Seerp Anema publiceerden.
Toch ontstonden rond de eeuwwisseling protestants-christelijke literaire tijdschriften. Ons Tijdschrift (1896-1914) kreeg zijn specifiek literaire gezicht in 1904. In 1919 richtte P.J. Risseeuw Opgang op, dat in 1923 werd voortgezet in Opwaartsche Wegen (1923-1940), het toonaangevende blad van de ‘Jong-Protestanten’ in het interbellum. De dichter Willem de Mérode en de romanschrijver J.K. van Eerbeek gelden als hun beste vertegenwoordigers. Andere dichters van naam waren Roel Houwink, Hein de Bruin, Willem Hessels, Muus Jacobse (pseudoniem van Klaas Heeroma) en Gerrit Achterberg. Romankunst was ook toen de zwakke plek van de protestantse letteren, doordat veel schrijvers zich lieten verleiden tot een grotere dosis moraal dan goed was voor de literaire kracht van hun werk. Voorbeelden van literaire romans zijn, naast het werk van Van Eerbeek: Gods gevangene door Wilma, Koningskinderen door C. Rijnsdorp, Burgers in nood door H.M. van Randwijk, Bartje door Anne de Vries. Naast de literatuur opereerde ook een groot aantal half-literaire romanschrijvers als G. Sevensma-Themmen, G. Mulder en Diet Kramer. Half-literaire dichters die moeilijk tot het literaire circuit doordrongen, maar wel veel gelezen werden, waren onder anderen A. Wapenaar en Jo Kalmijn- Spierenburg.
De protestantse letteren in het interbellum vormden geen eenheid. Enerzijds had Seerp Anema de kunst van buitenaf calvinistische normen opgelegd, anderzijds wilde Klaas Heeroma christelijke kunst laten opbloeien uit de christelijke persoonlijkheid. Opwaartsche Wegen scheurde in 1936 op de controverse tussen Houwink, die het blad wilde binden aan de theologie van Karl Barth, en Heeroma die bleef kiezen voor ‘dichterschap voor de gemeente’. Heeroma noemde de bloeiperiode in het interbellum graag ‘Het derde Réveil’, een titel die hij gaf aan een geruchtmakende poeziebloemlezing (1934). In zijn visie vertegenwoordigden Isaäc da Costa en Bilderdijk het eerste Réveil; Kuyper en De Savornin Lohman het tweede; De Mérode, Van Randwijk, Heeroma en anderen het derde. Rijnsdorp hanteerde in zijn boek In drie etappen een andere indeling: de eerste etappe van Ons Tijdschrift, de tweede van Opgang en Opwaartsche Wegen en de derde van Ontmoeting.
Na de Tweede Wereldoorlog bleek de protestantse literatuur uitgedund te zijn. Eekhout, Houwink en Van Ham waren door hun Duitsgezindheid uitgeschakeld; Jan H. de Groot, H.M. van Randwijk, Bert Bakker en Gerrit Kamphuis vielen af doordat ze geseculariseerd raakten. Rijnsdorp, D. van der Stoep en P.J. Risseeuw richtten het tijdschrift Ontmoeting (1946-1964) op; niet als strak kader maar als ontmoetingspunt van protestantschristelijke schrijvers. Romans die in deze periode boven het gemiddelde peil lagen, waren onder meer: Het kind Hans door J. van Doorne, Gesprekken met Gabriël door Arjen Miedema, Een meisje als Lientje door Jacoba M. Vreugdenhil, Huurling en herder door Jan Overduin en vooral De tornado door B. Nijenhuis.
Belangrijke dichters uit deze periode waren Anna Mertens, Nel Veerman, Inge Lievaart, Ido Keekstra, Lidy van Eijsselsteijn en later Frank Daen, Jaap Zijlstra en Anton Ent. De dichters Guillaume van der Graft, Ad den Besten, Jan Wit en J.W. Schulte Nordholt maakten met hun poëzie wel deel uit van de protestantse letteren, maar oriënteerden zich aan de doorbraak en wilden daarom niet bij een protestants-christelijke groep horen. Ze werkten slechts incidenteel mee aan Ontmoeting. Maar juist zij gaven de Nederlandse kerken een nieuwe interkerkelijke psalmberijming en schreven vele gezangen voor het Liedboek voor de kerken.
Na Ontmoeting duurde het bijna twintig jaar voordat het volgende christelijk literaire tijdschrift werd opgericht: Woordwerk (1983-1997), onder leiding van Bert Hofman en Hans Werkman. De eerste trad in 1994 uit, na een conflict over de reikwijdte van het begrip ‘christelijke literatuur’. Uit het orthodox-christelijke Woordwerk kwamen wel enkele belangrijke dichters voort, zoals Henk Knol en Hilbrand Rozema, maar christen-dichters als Lenze L. Bouwers en Koos Geerds publiceerden liever in algemene literaire tijdschriften.
In 1997 hieven Woordwerk en het concurrerende tijdschrift Bloknoot (1991-1997) zichzelf en daarmee hun wederzijdse spanningen op. Zij gingen samen verder in het tijdschrift Liter, waarin Gerda van der Haar, Tjerk de Reus en George Harinck zich profileerden als essayisten. In en buiten dit tijdschrift kwam de poëzie van Menno van der Beek en Juliën Holtrigter tot ontwikkeling. Bouwers, Geerds, Rozema (die ook een talentvolle dagboekschrijver is) en Harmen Wind lieten hun bundels verschijnen bij seculiere uitgevers. De belangrijkste protestantse dichters aan het begin van de eenentwintigste eeuw zijn Henk Knol en Koos Geerds. Het spraakmakende gedicht Gods element van Geerds werd door de een uitermate christelijk, door de ander blasfemie genoemd. De belangrijkste protestantse romanschrijvers van rond 2000 zijn Pieter Nouwen (Het negende uur) en Louis Krüger (Wederkomst). Ze publiceren bij wereldlijke uitgevers.
De protestantse literatuur was, getuige het tijdschrift Liter, bij de overgang naar de eenentwintigste eeuw nog steeds een vruchtbare groepering. De begrenzing ervan is echter minder strak geworden door de vele contacten met het seculiere literaire veld. Een protestants volksdeel dat voornamelijk protestantse literatuur leest, bestaat allang niet meer. Ook de protestantse aandacht voor literatuur van belijdende rooms-katholieken groeit sterk, getuige de grote belangstelling (bijvoorbeeld in Liter) voor romans van Vonne van der Meer (Eilandgasten, Ik verbind u door) en werk van haar echtgenoot Willem Jan Otten (de roman Specht en zoon, de dichtbundel Eindaugustuswind).
De protestantse letteren kennen hun eigen verenigingsleven. In 1921 werd een Bond opgericht van Christelijke Letterkundige Kringen, waarin protestantse lezers plaatselijk bij elkaar kwamen om christelijke en algemene literatuur te bespreken. Dergelijke leeskringen werden later vooral georganiseerd door de Nederlandse Christelijke Vrouwen Bond en de Christelijke Plattelandsvrouwen Bond. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw nam het aantal christelijke leesgroepen waarin men literatuur leest en bestudeert, sterk toe (Christelijk Literair Overleg).
Ook de protestantse auteurs hebben zich georganiseerd om wille van literaire en materiële adviezen. Van 1929 tot 1941 bestond de (literaire) Christelijke Auteurskring. Voorzitter was W.G. van de Hulst. In 1970 werd de vereniging van christen-auteurs ‘Schrijverskontakt’ opgericht. Voorzitters waren o.a. Anne de Vries, Jaap Zijlstra en Klaas de Jong Ozn. Daarnaast ontstond in 1982 de orthodox-protestantse vereniging ‘Schrijvenderwijs’ met de voorzitters Bert Hofman en Joke Verweerd.
Auteur
Hans Werkman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
P.J. Risseeuw, Christelijke schrijvers van dezen tijd (Kampen 1930)
C. Rijnsdorp, In drie etappen (Baarn 1952)
R.G.K. Kraan, Ons Tijdschrift (Groningen 1962)
Hans Werkman, ‘Christelijke literatuur: een taaie muurvaren’, in: Gerommel van Büch tot Bommel (Kampen 1989), 86-99
Dineke Colenbrander e.a. (red.), Opwaartsche Wegen. Schrijversprentenboek 28 (Den Haag 1989)
R.G.K. Kraan (red.), Omzien met een glimlach. Aspecten van een eeuw protestantse leescultuur (Den Haag 1991)
Hans Werkman, ‘Christelijke literatuur in Nederland in de jaren negentig’, in: Ons Erfdeel, XLIX, 3, 1996, 399-420
Dirk Zwart, De gereformeerde bietebauw. Ontmoeting 1946-1964, themanummer van Bloknoot, V, 4, 1996 [1997]