Kunststijl die teruggrijpt op de middeleeuwse gotiek.
Zij ontstond in de tweede helft van de achttiende eeuw in Engeland als stijl voor gebouwen in landschapsparken. Pas vanaf het derde kwart van de achttiende eeuw kwam zij in Engeland ook voor kerkgebouwen in zwang. Op het Europese continent was dat later.
Er zijn twee soorten neogotiek: de decoratieve en de constructieve. Bij de decoratieve neogotiek (de eerste fase van deze stijl) werd de gotiek opgevat als een verzameling decoratieve vormen waaruit men naar bevind van zaken kon putten, zonder op de oorspronkelijke samenhang te letten. Daarbij werden steenconstructies nagebootst in stuc, details van grafmonumenten gebruikt voor schoorsteenmantels, enzovoorts.
De constructieve neogotiek, die vanaf circa 1840 in zwang kwam, beschouwt de gotiek als een samenhangend constructief systeem, dat mogelijkheden biedt voor verdere ontwikkeling tot een rationele bouwstijl. De propagandisten van deze visie waren vooral de Engelse architect Augustus Welby Pugin en de Franse architect Eugène Viollet-le- Duc.
In Nederland werd de constructieve neogotiek geïntroduceerd door P.J.H. Cuypers. De neogotiek heeft zich met zeer uiteenlopende ideeën verbonden. In haar eerste periode werd zij vooral toegepast vanwege haar schilderachtige werking, later ook op grond van haar ‘sublieme’ karakter. Zij kon worden geïnterpreteerd in nationalistische zin, bijvoorbeeld bij de herbouw van het afgebrande Houses of Parliament in Londen en bij de door de Pruisische staat bekostigde voltooiing van de Keulse dom. Zij werd verbonden met liberale ideeën en met de gedachtewereld van de reactie. De kerkelijke neogotiek is niet aan een specifieke confessie gebonden.
In Nederland echter werd zij het architectonisch symbool van het zich emanciperende rooms-katholieke volksdeel. Tot aan het begin van de twintigste eeuw zou de neogotiek in Nederland de stijl bij uitstek voor de rooms-katholieke kerken blijven.
Auteur
A.J. Looyenga [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]