Duits componist (Leipzig 3.2.1809 - Leipzig 4.11.1847)
Hoewel van joodse afkomst, liet zijn vader hem dopen tot lutheraan. Felix beschouwde deze stap niet louter als een wapen tegen antisemitisme. Hij verdiepte zich uitgebreid in zijn nieuwe geloof en werd de belangrijkste protestantse componist van zijn eeuw. Zijn uitvoering van Bachs Matthäus-Passion in 1829 was een mijlpaal in de revival van Bach. Bach was Mendelssohns belangrijkste inspiratiebron bij de ontwikkeling van zijn kerkmuziek, die een nieuw geluid bracht na de klassieke periode, recht deed aan de protestantse traditie (lees: Bach), en het joodse geloof combineerde met het christelijke. In zijn korte koorwerken verenigt hij de harmonische taal van de klassieken en een romantisch gevoel voor opbouw van drama, met een eigen melodiestijl. Zijn lange koorwerken (Lobgesang, Elias en Paulus) draaien om de (zeer joodse en protestantse) idee van God als een abstracte figuur. Religie was in zijn muziek niet zozeer een dramatisch conflict tussen mens en God, maar een toonbeeld van grote piëteit. Door het niveau van zijn muziek werd zijn stijl het voorbeeld voor protestantse componisten tot circa 1920.
Auteur
Emanuel Overbeeke [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]