Muziekstuk waarin het lijden van Christus zoals beschreven door Matteüs, centraal staat.
Het gegeven heeft al vroeg diverse componisten geïnspireerd en er is een veelheid en verscheidenheid aan uitingen. De oudst bewaard gebleven passie dateert uit de vierde eeuw. Uit de negende eeuw stammen composities waarbij in het manuscript de verschillen tussen de personages zijn aangegeven met kleine letters boven de tekst (de evangelist zong in het middenregister, Christus in het lage en de overigen in het hoge). De volgende stap was de rollen te verdelen over diverse zangers.
Vanaf de veertiende eeuw verschijnt de meerstemmigheid, waarbij aanvankelijk alleen de partij van het volk meerstemmig werd gezet. De eerste niet-anonieme passie werd in 1490 geschreven door de Engelsman Davy. De zestiende eeuw bracht allereerst het contrast tussen de responsoriale passie (met nadruk op de verschillen tussen de rollen) en de polyfone (met nadruk op de uitwerking van de meerstemmigheid). De Reformatie leidde daarnaast tot passies in de volkstaal en verenigde de twee soorten passies. In de zeventiende eeuw kwamen hierbij het gebruik van muziekinstrumenten en vrouwenstemmen, de invoeging van reflectieve momenten op niet-bijbelse teksten zoals een openings- en slotkoor, het gebruik van parallelle bijbelteksten en muziek ontleend aan protestantse hymnen (zie koraal) en de Italiaanse stijl van de opera en het madrigaal.
De Matthäus-Passion van Bach is een zeer persoonlijke en grootschalige culminatie van de beschreven elementen plus een voorlopig eindpunt. In de klassieke en romantische periode werd het lijdensverhaal bij voorkeur gepresenteerd in de vorm van het oratorium, bijvoorbeeld door C.Ph.E. Bach en Van Beethoven. De herinteresse voor de Barok na 1920 leidde ook tot nieuw gecomponeerde passies, met name in Duitsland, bijvoorbeeld van Pepping en Distler.
Auteur
Emanuel Overbeeke [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]