Binnen het protestantisme: lied in de volkstaal dat – al dan niet na goedkeuring door kerkelijke overheden – tijdens kerkdiensten gezongen wordt en waarbij de gemeente ingeschakeld wordt.
Rooms-katholieke hymnologen prefereren de benaming ‘liturgische liederen’. Of een religieus lied een kerklied is, wordt hier dus niet primair bepaald door zijn vorm en inhoud, maar door de vraag of het ook in kerkdiensten gebruikt wordt of werd. Dat kan niet alleen verschillen per kerkgenootschap, maar ook per streek of land en historisch tijdvak. Het kerklied is altijd onlosmakelijk verbonden geweest met ontwikkelingen in theologie, kerk, cultuur en maatschappij. Vandaar dat het kerklied zich in de loop der tijden naar vorm en inhoud in velerlei gedaanten gepresenteerd heeft.
In de vroegchristelijke kerk werden tijdens samenkomsten liederen gezongen, maar over het repertoire bestaat onzekerheid. Diverse bronnen, waaronder het Nieuwe Testament, vertellen dat er liederen gezongen werden ter ere van Jezus Christus. Maar of er in de eerste eeuwen ook psalmen gezongen zijn, is twijfelachtig. In de vierde eeuw wordt melding gemaakt van christenen die in hun kerkdiensten psalmen zongen. In die eeuw ontstond ook de hymne: strofische, syllabische gezangen in metrische versvoeten. Aan dit genre is de naam van Aurelius Ambrosius, de ‘vader van de westerse kerkzang’, verbonden.
Ongeveer vanaf de zesde eeuw werd de zang van het kerkvolk steeds meer overgenomen door liturgische koorzangers. Het kerklied zoals hierboven omschreven is, raakte in de Middeleeuwen op de achtergrond. Wel bloeide het niet-liturgische geestelijke volkslied, waarvan verschillende in latere eeuwen ook door protestanten als kerklied gebruikt zijn (zoals ‘Nu syt wellekome’ en ‘Ick wil mi gaen vertroosten’). Tijdens de Reformatie is het kerklied zowel door Luther als door Calvijn bevorderd. Luther maakte zelf ongeveer 35 liederen, waarvan vele nog gebruikt worden. Calvijns bijdrage is gelegen in het feit dat hij er persoonlijk voor gezorgd heeft dat in 1562 een strofische berijming van alle 150 psalmen gereed kwam. Dit Geneefse Psalter vormde de basis voor diverse psalmberijmingen in verschillende talen en tijden. Het lutheranisme heeft in de zeventiende en achttiende eeuw veel grote dichters en componisten van kerkliederen voortgebracht, zoals Johann Crüger, Paul Gerhardt, Christian Fürchtegott Gellert en Gerard Tersteegen.
Officieel werd binnen het gereformeerd protestantisme in Nederland alleen uit het Geneefse Psalter gezongen. Maar vanaf het begin van de Reformatie werden in grote delen van het land ook andere liederen gezongen, vooral uit de lutherse traditie. Met de invoering van de Evangelische Gezangen in 1807 breidde de gereformeerde/hervormde kerk officieel haar kerkliedrepertoire uit met gezangen. Diverse gereformeerde kerkgenootschappen bleven de afgelopen twee eeuwen echter uitsluitend psalmen als kerkliederen gebruiken.
In de twintigste eeuw zijn de kerkliedculturen van hervormden, gereformeerden en lutheranen sterk naar elkaar toegegroeid en uiteindelijk samengesmolten, zoals markant tot uiting komt in het Liedboek voor de kerken. In reactie op de Reformatie veranderde bij de rooms-katholieken het geestelijk lied. In tegenstelling tot de voorgaande eeuwen, waarin het lied meer gelieerd was aan en voortsproot uit de volksvroomheid, werd het lied nu meer vanuit de kerk met haar dogmatiek en kerkelijk jaar benaderd. Bekend is vooral het werk van Johannes Stalpart van der Wiele. Voorzover de liederen een plek in de liturgie kregen, werden ze door het koor gezongen. In de achttiende eeuw kwam de kwaliteit van het rooms-katholieke kerklied onder druk te staan, wat onder meer bleek uit de slechte woord-toonverhouding. Vanaf circa 1850 werd gewerkt aan verbetering van het rooms-katholieke kerklied door onder anderen F. Eppink en A. Hamers.
Met het Tweede Vaticaans Concilie brak een nieuw tijdperk aan voor het rooms-katholieke kerklied. De komst van de volkstaalliturgie bracht met zich mee dat er behoefte kwam aan Nederlandstalige kerkliederen. Vooral Huub Oosterhuis en Tom Naastepad hebben hier baanbrekend werk verricht. De bundel Gezangen voor liturgie (1984) bevat onder andere een selectie van Nederlandstalige kerkliederen die binnen het rooms-katholicisme na 1960 zijn ontstaan.
Auteur
Jan Smelik [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Jan Luth, Jan Pasveer, Jan Smelik (red.), Het kerklied. Een geschiedenis (Zoetermeer 2001)