Kunst in dienst van het geloof en de verkondiging ervan, in welk kerkgenootschap ook.
In Nederland wordt de term uitsluitend gebruikt in verband met de christelijke kerken, katholieke en protestantse. De katholieke kerk kent ook het begrip religieuze kunst. Vaak worden beide begrippen als synoniemen gebruikt. Wil men een onderscheid maken, dan gebruikt men ‘kerkelijke kunst’ voor de kunst die specifiek voor de eredienst en voor de gewijde plaatsen bedoeld is, en dekt het begrip religieuze kunst een breder geheel. Daarin zitten besloten de volkskunst en de devotionalia, evenals de kunst die men aantreft in katholieke schoolgebouwen, kloosters, pastorieën en woonhuizen van katholieken.
Enkele voorwerpen van kerkelijke kunst, zoals kelken, cibories, enzovoorts, hebben deel aan het heilige. Door een zegening of wijding worden zij aan profaan gebruik onttrokken. Zij zijn niet alleen utilitair, maar hebben in hun vormgeving, bijvoorbeeld door hun iconografie, met haar verwijzingen en dubbele betekenissen, een verkondigende functie.
Kerkelijke kunst bestaat in Nederland vanaf de kerstening in de zevende eeuw. Tot de tijd der vikingen zijn er echter nauwelijks kunstwerken bewaard gebleven. In de elfde eeuw kwam de kerkelijke kunst tot ontwikkeling en ze loopt door tot heden. In sommige perioden is er kritiek op kerkelijke kunst (Bernardus van Clairvaux, cisterciënzers, bedelorden). De hele Middeleeuwen door kent Nederland een eigen kerkelijke kunst. Op basis van stilistische kenmerken zijn architectuur, schilderkunst, beeldhouwkunst, edelsmeedkunst en andere takken van kunst als typisch Nederlands aan te wijzen. Daarbij zijn telkens invloeden vanuit het buitenland aanwezig. In de romaanse periode komt de inspiratie uit het zuiden van Europa. In de Middeleeuwen voegt Nederland zich in de vormentaal van Noordwest-Europa.
In de zestiende eeuw ontbrandde er een strijd over het gebruik van beelden en afbeeldingen in het kerkgebouw. Luther beschouwde ze als niet-noodzakelijk voor het heil, maar wel nuttig voor de onderwijzing. Calvijn en Zwingli wezen alle afbeeldingen in het kerkgebouw af. In Nederland woedde in 1566 een beeldenstorm, die een herhaling kreeg in de laatste decennia van de zestiende eeuw. Protestantse kerken zijn meestal ontdaan van kunstwerken. In het interieur treft men echter wel grafkunst en interieurstukken als tiengebodenborden en beschilderde orgelluiken. Katholieke kerken daarentegen zijn soms overladen met kerkelijke kunst. De barok, gestimuleerd door uitspraken van het Concilie van Trente (1545-1563) dat het gebruik van voorstellingen niet verwerpt, schiep een veelvormige en uitbundige kerkelijke kunst.
Terzijde zij opgemerkt dat in diezelfde zeventiende eeuw zich voor het woonhuis een geheel eigen specialiteit ontwikkelde: de Hollandse bijbelschilderkunst, die wereldberoemd zou worden met schilders als Rembrandt van Rijn. Deze loot van de schilderkunst wordt echter door kunsthistorici niet gerekend tot de kerkelijke kunst, omdat ze zich manifesteerde in het particuliere domein van het woonhuis en niet-sacrale plekken als weeshuizen en gasthuizen, zowel katholiek als protestant. In de achttiende eeuw volgde de kerkelijke kunst de internationale ontwikkelingen. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond de neogotiek, waarvan de katholieken zich meester maakten, onder invloed van de euforie en de emancipatiedrang van het herstel van de bisschoppelijke hierarchie (1853). In de vroege twintigste eeuw zochten jonge kunstenaars aansluiting bij de stijlen die in de profane kunst opgeld deden, de art deco, de artnouveau en de Jugendstil, en vervolgens het expressionisme.
In de jaren zestig raakte de kerkelijke kunst op een zijspoor. De kerken waren geen opdrachtgevers meer omdat zij de financiën die zij beschikbaar hadden, liever voor caritatieve doeleinden of voor doelen in de derde wereld gebruikten. Rond de millenniumwende kwam echter de wens om weer meer decoratie in de kerkgebouwen te krijgen en kwamen er weer kunstenaars die religieuze kunstwerken schiepen.
In de protestantse kerken was na de zeventiende eeuw in feite geen of weinig kerkelijke kunst meer te vinden. In de twintigste eeuw vond langzaam een kentering plaats, waarvoor het primaat lag bij de glazeniers. Zij ontwierpen op verzoek van de kerkenraad gekleurde ramen waarin bijbelse taferelen of verwijzingen naar het geloof een rol speelden. In de tweede helft van de twintigste eeuw ontstond bij een aantal protestantse kerkgenootschappen de wens de kerkgebouwen met kunst te verfraaien. Schoorvoetend ontstonden er kunstwerken die, net als bij de katholieken, een esthetische en een catechetische rol vervullen.
Auteur
Casper Staal [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G. Brom, Herleving van de kerkelijke kunst in katholiek Nederland (Leiden 1933)
C. Meuleman, Hedendaagsche religieuze kunst (Amsterdam 1936)
Het Gildeboek. Tijdschrift voor kerkelijke kunst en oudheidkunde I - XXXVII (1873 - 1955), voortgezet als Kunst en religie XXXIX – XXXXIII (1957-1961)
Regn. Steensma, In de spiegel van het beeld: kerk en moderne kunst (Baarn 1987)
Joost de Wal, Kunst zonder kerk. Aspecten van religie in de Nederlandse autonome beeldende kunst tussen 1945 en 1990 (Utrecht 1999)
Jos H. Pouls, Ware schoonheid of louter praal (Maastricht 2003)