Dichter en predikant, verbonden aan de hervormde gemeenten van Marken (1845), Almkerk (1847), Middelburg (1850) en Amsterdam (1860) (Den Haag 23.12.1819 - Amsterdam 26.12.1889)
Hij kan gerekend worden tot de evangelischpiëtistische belevingswereld van de negentiende eeuw, mede gezien de invloed die O.G. Heldring met zijn verbondenheid aan het Réveil en de Inwendige Zending op hem uitoefende. Het dichterschap van Ten Kate vertoont onmiskenbare trekken van de Romantiek. Met Beets en J.P. Hasebroek (1812-1896) behoort hij tot de predikant-literatoren die de christelijke literatuur van deze eeuw gestempeld hebben. Bekend zijn het dichtwerk De Schepping (1866) en zijn vertalingen van Shakespeare en Goethe. Zijn naam blijft echter voortleven in een groot aantal kerkliederen als ‘De Heer is mijn Herder!’, ‘Laat me in U blijven, groeien, bloeien’ en ‘Wees gegroet, gij eersteling der dagen’. Zo nam hij ook met een vijftiental liederen ruimschoots deel aan de Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen uit 1866. In de kringen van de Tachtigers en De Gids bestond grote afkeer jegens het verschijnsel van de predikant-dichter. Vooral Ten Kate moest het ontgelden en lag voortdurend onder spervuur van E.J. Potgieter, Busken Huet en Van Eeden (‘Dankt den Heer met snarenspel voor Ten Kate, J.J.L.!’).
Auteur
H.C. Endedijk [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme IV (Kampen 1998), 247-249
Zie ook
Kate, Jan Jacob Lodewijk ten (2010)