Stijl in de kunst die ontstond terwijl het Romaans nog volop in ontwikkeling was.
Ontsproten aan de geest van één man, abt Suger (ca. 1081-1151), en gerealiseerd in de jaren 1140-1144 in het koor van de Saint-Denis, de koninklijke kloosterkerk. Vanuit deze regio (Parijs, Laon, Chartres, Reims, Amiens) verbreidde de gotiek zich over Europa. Naar eigen getuigenis vond Suger inspiratie in de lichtmystiek van de vroeg-christelijke schrijver Dionysius de Areopagiet aan wie zijn kerk was gewijd. Nieuw is een dragend skelet van zuilen en spitsbogen, dat de muren ontlast. Deze constructie maakt het mogelijk alle geledingen tot dezelfde hoogte op te trekken en de vensters te vergroten. Er ontstaat één ruimte met hoogtewerking. Gebrandschilderde glazen scheppen een interieur dat baadt in mysterieus licht. Het westfront toont portalen van bovenmenselijke maat, die symbolisch toegang geven tot de hemelse lichtstad. Roosvensters laden het oude zonnerad met nieuwe betekenissen (waaronder Christus als ‘zon der gerechtigheid’). Voor het eerst sinds de oudheid prijken overal weer beelden. In het hoofdportaal bijvoorbeeld Christus als leraar (‘Ik ben de deur’) en in een gevelveld Christus als de Man van Smarten. Op dezelfde plaatsen kunnen sculpturen van Maria verschijnen, als medeverlosseres, of als hemelkoningin. De gedachtegang verloopt in twee richtingen: in Christus komt God de mens nabij, in Maria komt de mens God nabij. Hier deed Bernard van Clairvaux (1090-1153) zich gelden met zijn nadruk op het dogma van de incarnatie (de menswording) en met zijn mystieke interpretatie van het Hooglied. Uit verzet tegen de praalzucht van de kathedralen bevorderde Bernard een sobere vorm van gotiek voor kloosterkerken.
Fraaie voorbeelden van gotische bouwkunst in Nederland zijn de St.-Janskerk (’s-Hertogenbosch), de Dom (Utrecht) en de oude St.-Bavo (Haarlem). De gotiek verrijkte de schilderkunst met plastische en ruimtelijke effecten.
Auteur
Willem L. Meijer [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
George Duby, De kathedralenbouwers (Amsterdam 1989)
Rolf Toman (samenstelling), De kunst van de Gotiek (Groningen 1999)