(Dordrecht 15.12.1887 - Utrecht 31.12.1966)
Journalist voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant (1914-1919) en hoogleraar geschiedenis te Londen (1919-1935) en te Utrecht (1936-1958).
Geyl groeide op in een gezin van vrijdenkers. Korte tijd schreef hij Christusgedichten, om zich daarna te bekennen tot het agnosticisme. Als historicus zou Geyl het agnosticisme trouw blijven: doel en zin van de geschiedenis waren onkenbaar. Geschiedenis zou moeten worden opgevat als een ‘discussie zonder eind’. Om deze reden bestreed hij onder meer de protestantse historicus Groen van Prinsterer, die door hem werd gediskwalificeerd als historicus en getypeerd als ‘evangeliebelijder’. Groens opvatting van Nederland als protestantse natie vond bij Geyl geen genade.
In het verlengde van zijn kritiek op Groen ligt zijn zogenaamde protestantiseringsthese. Die behelsde dat de Nederlandse Opstand geen godsdienstig conflict zou zijn geweest, waarin de calvinisten in opstand waren tegen het despotisch katholieke gezag van de Spaanse kroon, maar een veel ingewikkelder strijd waarin Noord-Nederland veel meer roomskatholieken telde dan protestantse geschiedschrijvers voor waar wilden hebben. De scheiding tussen Noord en Zuid zou niet bepaald zijn door de godsdienst, maar door politieke en geografische oorzaken. Hoewel ook het historische beeld van Geyl inmiddels als achterhaald wordt beschouwd, wordt er onder historici wel gesproken over een vaderlands geschiedbeeld van vóór Geyl en een van ná hem.
Zijn belangrijkste publicaties zijn te vinden in: P. van Hees, Bibliografie van P. Geyl (1972).
Auteur
Wim Berkelaar [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
L.J. Rogier, Herdenking van P. Geyl (1967)
H.W. von der Dunk, ‘Pieter Geyl: History as a form of self-expression’, in: Britain and the Netherlands (1976)
Wim Berkelaar, ‘Pieter Geyl’, in: Kritisch Denkers Lexicon, 34 (december 2004), 1-20