Architect (Roermond 10.6.1861 - Meerssen 20.1.1949)
Hij kreeg zijn opleiding bij zijn vader P.J.H. Cuypers en aan de Polytechnische School te Delft. Hij trad in dienst bij zijn vader maar werkte daarnaast ook onder eigen naam. In 1892 kreeg hij de opdracht tot de bouw van een nieuwe kathedraal voor Haarlem, waarvan de bouw in 1895-1898, 1902-1906 en 1927-1928 zijn beslag kreeg. Van 1899 tot 1908 was Cuypers geassocieerd met Jan Stuyt. Later werkte hij ook samen met zijn zoon Pierre jr (1891-1982). Het werk van Cuypers is veelzijdig: de effectenbeurs te Amsterdam (1909-1912), scholen, ziekenhuizen, wooncomplexen, stedenbouwkundige ontwerpen, enzovoorts, maar hij was toch in belangrijke mate een kerkbouwer. In zijn vroege werk sluit hij zich aan bij de neogotische vormentaal van zijn vader. Zijn Haarlemse kathedraal is in haar hoofdopzet nog steeds neogotisch, maar vertoont ook andere vormen waaronder romaanse, byzantijnse, islamitische en art nouveau. In later werk zou hij zich steeds verder van de neogotiek verwijderen.
Van groot belang waren de Obrechtkerk te Amsterdam, een neoromaanse basiliek (1908-1911) en de St. Jacob te Den Bosch, een koepelkerk (1905). Ook later zou Cuypers een zekere voorkeur voor koepelkerken behouden. Zijn vormenrepertoire uit de periode na 1918 varieert van neoromaans tot expressionistisch.
Auteur
A.J. Looyenga [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A.J. Looyenga, ‘Josephus Theodorus Joannes Cuijpers’, in: Biografisch woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)