Cultuur die zich kenmerkte door enerzijds de afwijzing van bepaalde niet-christelijke lectuur en anderzijds de ontwikkeling van christelijke lectuur.
Al sinds de eerste eeuwen was er binnen de christelijke gemeenschap sprake van een afwijzen van teksten die niet strookten met de algemeen-christelijke moraal of de eigen kerkelijke opvattingen. De voornaamste kritiekpunten waren afgoderij, zedeloosheid, godslastering en ketterij. Het afwijzen leidde binnen de kerken tot diverse vormen van afweer: kritieken en commentaren, controle van leesgedrag door geestelijke leidslieden, boekencensuur en zelfs boekenvernietiging.
Daartegenover stond het propageren van vooral stichtelijke lectuur, met name onder protestanten. Tot ver in de twintigste eeuw lazen protestanten beduidend meer dan katholieken: onder hen werd immers β anders dan onder katholieken β op persoonlijk bijbellezen aangedrongen, waarbij preken en andere devotionele teksten als hulpmiddel dienden.
Met de emancipatie van brede lagen van de bevolking in de negentiende eeuw, gecombineerd met de opmars van nieuwe genres als de roman, de krant en het tijdschrift, groeide het lezerspubliek explosief. Protestantse en rooms-katholieke leidslieden waarschuwden tegen zedenbedervende lectuur en stelden daar hun eigen stichtende en moraliserende teksten tegenover, bedoeld om de katholieke, dan wel protestantse mentaliteit te voeden. De roman werd door kerkelijke leidslieden aanvankelijk met argusogen bezien, maar in de loop van de negentiende en twintigste eeuw geleidelijk geaccepteerd (het laatst onder bevindelijk gereformeerden) dankzij het werk van vertrouwenwekkende schrijvers uit eigen kring. Daarmee veranderde de algemene leeshouding van het christelijke publiek ingrijpend: de lezer richtte zich behalve op nut en stichting steeds meer op kennis en vermaak. Protestanten en katholieken kregen elk hun eigen kranten, tijdschriften, schrijvers, boekhandels en uitgeverijen (zie ook verzuiling). Het bijzonder onderwijs speelde in de ontwikkeling van deze leescultuur een belangrijke rol, net als zondagsscholen en kerkelijke bibliotheken.
Met de toename van de secularisatie nam het belang van de verzuilde lectuur af. Aan het eind van de twintigste eeuw werd het christelijke boekencircuit (ook internationaal) met name door orthodoxe protestanten instandgehouden. Daarnaast bleven de christelijke lezer en schrijver slechts als individu bestaan.
Auteur
Enny de Bruijn [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Hemels, βDe katholieke lezer: een fictie?β in: M. de Coo-Wijgerinck e.a., De gezegende pers (Zeist 1989), 84-99
R.G.K. Kraan e.a., Omzien met een glimlach. Aspecten van een eeuw protestantse leescultuur (Den Haag 1991)
M. Mathijsen, Gij zult niet lezen. De geschiedenis van een gedoogproces (Amsterdam 1996)