Negentiende-eeuwse beweging, vooral in Duitsland, die zich keerde tegen de toenemende verwereldlijking van de katholieke kerkmuziek in de periode 1750-1850, met name onder invloed van de opera.
Het cecilianisme wilde teruggrijpen op de muziek uit de voorgaande tijden, met name op de muziek van Palestrina en die van de Nederlandse componisten uit de Renaissance. Na vele ‘incidentele’ uitingen van restauratie vóór 1868, werd in dat jaar de Allgemeine Deutscher Cäcilienverein opgericht. Deze vereniging kreeg ook in het buitenland steun, in Nederland bij Diepenbrock. Muzikaal gesproken bracht de beweging geen grote componisten voort (al toonde Bruckner zijn sympathie), wel stilistische uitgangspunten, uitgedragen in zeer ideologisch getinte geschriften. Religieuze muziek moest ten dienste staan van de liturgie; als kenmerken van ‘de ware muziek’ golden verstaanbaarheid en eenvoud in ritme, vorm en polyfonie; het Gregoriaans als muzikale en ideële inspiratiebron werd voorwerp van uitvoerig onderzoek.
Auteur
Emanuel Overbeeke [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]