Volksfeest, gevierd in rooms-katholieke streken op de drie laatste dagen voor Aswoensdag, het begin van de vastentijd.
De feestgangers dragen vermommingen en houden optochten met praalwagens. Het woord carnaval is waarschijnlijk afgeleid van het Italiaanse carne levare: ‘opvrolijking van het vlees’. De herkomst van het feest is onduidelijk. Mogelijk is het een vermenging van een Germaans offerfeest en een Romeins lentefeest. De christelijke kerk gaf carnaval een christelijk aanzien door het te verbinden aan de vastentijd. In de late Middeleeuwen was het feest populair en ging het gepaard met uitspattingen, waartegen de kerk zich keerde.
Lange tijd leidde carnaval een sluimerend bestaan, tot het in de loop van de negentiende eeuw werd herontdekt. Vooral na 1945 werd het snel populair. De Reformatie verwierp carnaval als bijgeloof.
Auteur
W. Bouwman [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Jef de Jager, Rituelen. Nieuwe en oude gebruiken in Nederland (Utrecht 2001).