Vocaal muziekgenre, ontstaan in Italië aan het begin van de barok ter onderscheiding van de instrumentale sonate.
Aanvankelijk waren wereldse teksten even talrijk als religieuze, maar na 1700, zeker in Duitsland, kregen de religieuze (meestal niet-bijbelse) de overhand. Kenmerkend voor het genre is een korte, meerdelige, overzichtelijke vorm, het gebruik van één (soms meer) solostemmen, een kleine instrumentale bezetting en een grote nadruk op tekstuitbeelding in de muziek. Zeker in Italië gold hierbij invloed van het madrigaal en de opera. Het genre kon vele functies hebben. In katholieke landen (met name Frankrijk en Spanje) had het meer een ceremoniële taak, in protestantse streken (vooral in Duitsland) eerder een liturgische.
Het beroemdste voorbeeld zijn de cantates die J.S. Bach schreef na 1723, als cantor in Leipzig. Deze zijn muzikaal gesproken opmerkelijk rijk en Bach kreeg van theologen het verwijt het geloof ondergeschikt te maken aan de kunst. Na Bach raakte het genre op de achtergrond en kreeg het seculiere meer ruimte. Wat een cantate was, werd na 1800 steeds onduidelijker, al zijn er nadien nog prachtige geschreven, bijvoorbeeld door Berlioz, Brahms, Debussy, Stravinsky en Bartók.
Auteur
Emanuel Overbeeke [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]