Oostenrijks componist (Ansfelden 4.9.1824 - Wenen 11.10.1896)
Hij stond, zoals een van zijn biografen treffend opmerkte, volmaakt verkeerd in zijn tijd. Hij was overtuigd en naïef katholiek en vond zijn muzikale voorbeelden bij de Weense klassieken (Haydn, Mozart en Beethoven) en vooral ook oudere componisten, met name Palestrina, die in Bruckners tijd het grote voorbeeld was voor de kerkmuziek. Van zijn vier grote religieuze composities staat de Mis nr. 2 voor koor met slechts 3 instrumenten (1866) door zijn eenvoudige stijl en kleine bezetting het dichtst bij die van Palestrina.
De missen 1 (1864) en 3 (1867) plus zijn Te Deum (1881), alle voor koor, solisten en groot orkest, wijzen vooruit naar zijn symfonieën waarin hij op persoonlijke en voor die tijd ongebruikelijke wijze zeer uiteenlopende stijlelementen combineert: een grote nadruk op meerstemmigheid in navolging van Palestrina, een harmonische taal onder invloed van Richard Wagner, een voortdurende uitwerking van motieven als bij Beethoven en een collage-achtige vorm die pas na 1950 erkenning zou krijgen. Deze symbiose verklaart waarom zijn werk buiten het conservatieve katholieke Oostenrijk tot circa 1950 weinig weerklank vond.
Auteur
Emanuel Overbeeke [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]