Duits protestants componist (Eisenach 21.3.1685 - Leipzig 28.7.1750)
Volgens velen de grootste componist uit de protestantse traditie, een status die hij verwierf in de negentiende eeuw. Zijn bewaard gebleven oeuvre bestaat uit meer dan 200 kerkelijke cantates, 6 motetten, 4 Passies, Magnificat, 5 missen en 165 orgelkoralen. Bachs enorme productie aan religieuze en niet-religieuze muziek was voor zijn tijd gewoon: het geloof was de dominante, vanzelfsprekende factor in de samenleving en componisten waren in dienst bij wereldlijke dan wel geestelijke broodheren. Voor de laatste categorie, bijvoorbeeld in zijn functie als cantor voor de kerken in Leipzig (1723-1750), schreef hij onder meer vijf complete jaargangen van cantates (in principe een voor elke zondag van het kerkelijk jaar). Zijn zes motetten stammen uit zijn Leipziger jaren en waren bestemd voor rouwplechtigheden.
Zijn Matthäus-Passion (eerste versie 1727) en Johannes-Passion (eerste versie 1724) ontstonden voor de liturgie voor Pasen. Ook in Arnstadt (1703-1707), Mühlhausen (1707-1708) en Weimar (1708-1717) had hij kerkelijke opdrachtgevers. Hier schreef hij onder meer enkele cantates en in 1717 zijn Orgelbüchlein, een verzameling van 45 koralen; het laatste in de gevangenis, omdat zijn werkgever weigerde hem te laten vertrekken naar een nieuwe, wereldlijke broodheer in Köthen (1717-1723). Enkele werken schreef Bach op eigen initiatief. De Hohe Messe ontstond in aanzet begin jaren dertig toen hij vermoedelijk uit Leipzig wilde vertrekken en een mogelijke nieuwe werkgever een visitekaartje wilde aanbieden. De Orgelmis (1739), bestaande uit een prelude, 21 koralen, vier duetten en een fuga, is mede bedoeld als didactische compositie. Zijn orgelwerken, zowel de preludes, toccata’s, fantasieën, fuga’s als de koralen, schreef hij voor zijn optredens in Duitsland.
Tijdens zijn leven was hij vooral beroemd als organist en kenner van muziekinstrumenten. Zijn muziek gold als traditiegetrouw en omstreden. Traditiegetrouw, omdat hij zich nadrukkelijk bediende van alle contrapuntische technieken die teruggaan tot de Nederlandse polyfonisten uit de Renaissance en die hij hanteerde op een zeer doorwrochte wijze. Evenals veel Duitse barokcomponisten bediende hij zich van de retorica: tekstregels uitbeelden met bijbehorende, voorgeschreven muzikale figuren. Omstreden, omdat zijn Matthäus-Passion getypeerd werd als opera-achtig; vanwege de theatrale, muzikale gebaren, die overigens ook veelvuldig aanwezig zijn in de cantates en motetten. Tevens verweten de kerkelijke autoriteiten in Leipzig hem dat de complexiteit van de muziek de luisteraars te veel zou afhouden van de tekst en daarmee de boodschap. Die kritiek verstomde na 1800 volstrekt en men erkende algemeen dat muziek sinds Bach niet meer hetzelfde was. Legde de romantiek vooral de nadruk op Bachs geloof en de twintigste-eeuwse muziekwetenschap op zijn ambacht, thans ziet men ambacht en intentie niet meer als tegenstelling, maar meent men dat de muzikale uitbundigheid voor Bach zijn manier was om zijn geloof te uiten.
Bach was lutheraan van geboorte en uit overtuiging (lutheranisme). Hij bezat een uitvoerige theologische bibliotheek en in zijn exemplaar van de bijbel schreef hij in de marge instemmende woorden bij de passage dat men God moet toezingen met alle muziek waartoe de mens in staat is. Kenmerkend voor bijna al zijn muziek zijn de uitbundige meerstemmigheid, een liefde voor weelderige melodielijnen, vrije vormen, een ontwikkeling die sterk wordt bepaald door een spel met motieven, een onschoolse afwisseling van toonsoorten, een voor zijn tijd uitzonderlijke virtuositeit, energieke ritmen en een afwisselende instrumentatie. Zijn stijl is solide geworteld in de Duitse protestantse kerkmuziek en tevens volstrekt persoonlijk en uiterst krachtig. Zijn aanzien bij componisten en musici was sedert 1750 zeer groot. Zijn betekenis voor vele gelovigen spreekt het sterkst uit het predikaat van Albert Schweitzer: ‘de vijfde evangelist’.
Auteur
Emanuel Overbeeke [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Chr. Wolff, Johann Sebastian Bach (Utrecht 2000)