Schrijver, groot strijder voor de emancipatie van de rooms-katholieken (Amsterdam 13.8.1820 - Amsterdam 17.3.1889)
Handelde als jonge man in scheepsvictualiën en levensmiddelen en schreef vanaf zijn twintigste jaar in vele bladen met als onderwerp de literatuur, toneel, muziek en beeldende kunsten, doorgaans in relatie tot het katholicisme. Hij was bevriend met de in religieus opzicht andersdenkende E.J. Potgieter, J. ten Kate en I. da Costa. Als romantische, naar het verleden hakende dichter trok hij zich op aan het voorbeeld van Willem Bilderdijk. In De klok van Delft (1846) gaf hij zijn schoonheidsideaal gestalte in de persoon van de Mechelse kunstenaar Ewout. Zijn dichtwerk Het voorgeborchte uit 1851 richt zich tegen de liberale, verlichte tijdgeest. Het is zijn variant op het bekende epos van Dante La divina commedia: het is Bilderdijk die hier de plaats van Vergilius inneemt als Thijms gids in het dodenrijk.
Hierna schreef hij weinig poëzie meer, maar wel veel proza in een beeldende, archaïserende stijl. Het in de Middeleeuwen spelende verhaal De organist van den dom is een van de hoogtepunten. Van zijn belangstelling voor het rijke verleden van de Nederlandse cultuur getuigen onder meer ook zijn bewerking van de Beatrijslegende en andere Middeleeuwse verhalen. In zijn Karolingische verhalen (1851) combineerde hij zijn verhaalkunst met zijn rijke kennis van het verleden. Hij bleek telkens opnieuw te beschikken over een groot esthetisch inzicht dat hij voornamelijk in dienst stelde van zijn katholieke geloof. Zijn organisatorische gedrevenheid leidde in 1852 tot de stichting van de Volksalmanak voor Nederlandsche katholieken, waarvan hij tot zijn dood redacteur was en waarvoor hij talloze historische novellen schreef. In 1855 stichtte hij het tijdschrift Dietsche Warande, met als doel de herlevende katholieke cultuur in Nederland en Vlaanderen een eigen spreekbuis te geven. Zijn broer Paul, hoogleraar in Leuven, zou het blad vanaf 1887 leiden. In 1900 fuseerde het met Belfort.
Van 1863 tot 1889 was Thijm directeur van een boekhandel en uitgeverij. In 1876 werd hij hoogleraar in de kunstgeschiedenis en esthetica aan de Rijksacademie te Amsterdam. Hij zette zich in voor een herziening van de Nederlandse geschiedenis vanuit katholiek standpunt en ijverde met architect Pierre Cuypers voor de herleving van de middeleeuwse bouwkunst, de gotiek. De resultaten van die inspanningen zijn ook in de eenentwintigste eeuw nog zichtbaar in tal van neogotische katholieke kerkgebouwen. Toen na het midden van de negentiende eeuw de belangstelling voor Vondel opleefde, schreef hij zijn nog altijd zeer boeiende Portretten van Joost van den Vondel (1876). Ook al zette hij zich geweldig in voor de ontwikkeling van zijn katholieke achterban, zijn gezag was er in kringen daarbuiten niet minder om. Kunstcritica Maria Viola schreef in 1909 over hem: ‘Voor Thijms geloofsgenooten moge de katholieke stof en het daaraan beantwoordende karakter van zijn kunst een aparte vreugde wezen, de Hollandschheid van dezen fijn-zinnigen minnaar van ons edelst voorheen is ruimschouwend en schoon genoeg om door ieder ontwikkeld Nederlander te worden genoten.’ De omvang van zijn geschriften was zo enorm, dat zeer veel ervan niet kon worden opgenomen in de zesdelige uitgave die in 1908 begon te verschijnen onder redactie van J.F.M. Sterck.
Niet voor niets werd in 1947 de vereniging van katholieke wetenschappers naar hem vernoemd; het Thijmgenootschap houdt de naam hoog van de grote katholieke emancipator, ofwel ‘Vader Thijm’, zoals hij, ook door Michel van der Plas in diens biografie over hem, genoemd werd. Thijm was de biologische vader van Lodewijk van Deyssel, zijn zoon Karel. Zijn dochter Catherina (1848-1908) werd bekend als schrijfster van populaire verhalen. Beide kinderen wijdden een biografie aan hun beroemde vader.
Auteur
W.A.M. de Moor [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. van der Plas, Vader Thijm (Baarn/Tielt 1995)