Zendingsactiviteiten van protestantse zijde.
In de zeventiende eeuw kregen de Nederlanders, onder de vlag van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC), vaste voet in Zuidoost-Azië, Afrika en Amerika. Overal brachten zij de Gereformeerde Kerk mee. Indien de oorspronkelijke bewoners al waren gekerstend door de rooms-katholieke missie, werden zij ‘geprotestantiseerd’ waar dat politiek wenselijk en mogelijk was (Molukken, Ceylon, niet Brazilië). In soms moeizaam verlopende samenwerking met de Nederlandse kerk, zorgden de compagnieën voor een geregeld kerkelijk leven in hun gebied. Voor zending onder niet-christenen gold gedurende de zeventiende en achttiende eeuw de binding aan het politiek belang nog sterker.
Door Nederlandse protestanten werd in die periode nooit zending bedreven buiten compagniesgebied; binnen dat gebied alleen daar waar de overheden haar politiek en/of economisch voordelig achtten, en ook dan alleen wanneer door missionair elan bezielde predikanten het initiatief namen. Enkelen van hen waren: Sebastiaan Danckaerts (1593-1634) en Justus Heurnius (1587-1652, Midden-Molukken en Batavia); Georgius Candidius (1597-1647, Taiwan); Philippus Baldaeus (1632-1671, Ceylon); Joachim Soler (±1590-1665, Brazilië); J.G. Kals (1700-1781, Suriname). In Suriname werkten ook de Hernhutters, door de VOC uit Zuidoost-Azië geweerd.
Het nettoresultaat van alle inspanningen was gering: aan het einde van de achttiende eeuw waren in Zuidoost-Azië ongeveer 60.000 niet-Europese protestantse christenen, van wie het grootste deel in de Molukken. In de andere Nederlandse gebieden, inmiddels grotendeels aan Engeland toegevallen, waren er vrijwel geen buiten de Europese kolonisten en hun afstammelingen. De bloeiende Taiwanzending was vernietigd door de Chinese invasie van 1661; die in Brazilië na de herovering door de Portugezen (1661); de geprotestantiseerde christenen van Ceylon waren grotendeels teruggekeerd tot de Rooms-Katholieke Kerk.
Na 1795 schiep de politieke en culturele herordening van Nederland en zijn overzeese bezittingen ook nieuwe kaders voor de zending. De staat trok zich terug, de kerk moest zich instellen op de nieuwe situatie. Mede door de aanwezigheid van de Hernhutters sinds 1735, was de zending gaan leven onder een aantal predikanten en gemeenteleden. Zij gebruikten de in de achttiende eeuw opgekomen genootschapsvorm.
Naar Engels voorbeeld en op initiatief van J.Th. van der Kemp (1747-1811) richtten zij in 1797 het Nederlands Zendelinggenootschap (NZG) op. Hun doel was niet kerkstichting, maar het brengen van individuen tot een innerlijk doorleefd christendom, gekoppeld aan beschaving. In de eerste decennia vonden uitzendingen plaats naar West-Europese landen, Zuid-Afrika en Ceylon; sinds 1830 werkte het NZG alleen nog in Nederlands-Indië. Daar gebruikte het gouvernement de zendelingen voor de wederopbouw en verzorging van de oude compagniesgemeenten die werden georganiseerd in de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië (Indische Kerk). Blijvende invloed had Joseph Kam (1769-1833) in de Molukken. Na 1840 werd de band tussen zending en overheid steeds losser en arbeidde het NZG nog vrijwel uitsluitend onder niet-christenen.
In Nederland werd de Groninger theologie overheersend binnen het NZG; later kreeg ook het modernisme enige invloed. Dit wekte weerstand in Réveil-kring (O.G. Heldring) en bij de op gereformeerde confessie georiënteerden. Zo ontstonden nieuwe zendingsorganisaties: de Nederlandse Zendingsvereniging (NZV, 1859), de Utrechtse Zendingsvereniging (UZV, 1859), de Nederlandse Gereformeerde Zendingsvereniging (NGZV, 1859) die opging in de Zending der Gereformeerde Kerken in Nederland (ZGKN, 1894), en na de Doleantie nog de hervormde Gereformeerde Zendingsbond (GZB, 1901). De luthersen en de doopsgezinden hadden al langer eigen zendingsorganisaties. De nieuwkomers namen de arbeid in nog onbezette gebieden ter hand (Midden-Java, Oost-Indonesië). In niet door de Nederlandse zending bestreken gebieden werkten Duitse en Amerikaanse organisaties.
Door het structurele gebrek aan middelen bij de zending, maar nog meer door de nadruk op individuele bekering en de negatieve houding tegenover de traditionele religie en cultuur, was de groei op de meeste terreinen gering. Een uitzondering was de Minahassa, waar de gemeenten echter in 1874 aan de Protestantse Kerk werden overgedragen. In 1900 woonden van de 275.000 protestantse christenen in Nederlands- Indië slechts 10.000 op terreinen van de Nederlandse zendingsorganisaties.
Na 1900 traden grote veranderingen op. In Nederland kwam het, met name door toedoen van J.W. Gunning (van 1897-1923 director van het NZG en de UZV) tot meer samenwerking tussen zendingsorganisaties en de vorming van de Samenwerkende Zendingscorporaties (NZG, UZV, NZV, en andere), met een gemeenschappelijk centrum in Oegstgeest (1917). Samenwerkingsorganen als de Nederlandse Zendingsraad ontstonden.
Op de zendingsterreinen kwam men, mede onder de invloed van de ethische theologie (F.E. Daubanton) tot een andere aanpak, met meer aandacht voor de gemeenschap en waardering voor de traditionele cultuur en godsdienst. Samen met de ‘pacificatie’ van de buitengewesten door het Indische gouvernement, leidde dit tot massa-overgangen in nietgeïslamiseerde gebieden als Nieuw-Guinea (F.J.F. van Hasselt), Halmahera (A. Hueting) en Midden-Celebes (A.C. Kruyt). Op Sumba, waar de ZGKN ondanks D. Wielenga de oude lijn voortzette, kwam deze groei pas veel later. Op het islamitische Java was er bescheiden doch gestage groei. In Midden-Java bouwde de ZGKN aan een indrukwekkend stelsel van ziekenhuizen en Nederlandstalige scholen. De ethische zending, uit op conservering van de traditionele cultuur, was terughoudender met Nederlandstalig onderwijs, waardoor haar gebieden na 1945 moeite hadden mee te komen in het zelfstandige Indonesië. De Protestantse Kerk begon met arbeid onder de nog niet gekerstende bevolking van de Molukken en Timor. De koloniale overheid financierde de arbeid van de Protestantse Kerk, en steunde de zending indirect door genereuze subsidies voor onderwijs en medische arbeid.
Aan het einde van de koloniale periode waren er in geheel Nederlands-Indië 1.750.000 niet-Europese protestantse christenen, van wie 750.000 in het verband van de Protestantse Kerk en 600.000 op de terreinen van niet-Nederlandse zendingsorganisaties.
Tot ver in de twintigste eeuw schiep de zending geen kaders waarbinnen de Indonesische gemeenten zich konden ontwikkelen tot zelfstandige kerken. De door de zendelingen aangestelde ‘oudsten’ waren slechts contactpersonen en raadgevers voor dezen, niet de kiem van zelfstandige kerkenraden. Oorzaak was enerzijds het paternalisme van de zendelingen, voortkomend uit westers superioriteitsgevoel, anderzijds het individualistische karakter van de theologische stromingen die achtereenvolgens de zending domineerden. Een uitzondering waren Midden- Java ten Zuiden (ZGKN) en het Toraja-gebied (GZB).
Na 1925 leidden de invloed van de dialectische theologie in combinatie met het opkomen van de nationale beweging en het stijgende opleidingsniveau van de Indonesische gemeentevoorgangers tot zelfstandigverklaring van een aantal kerken. H. Kraemer was hierin een drijvende kracht. De zending behield echter ook in deze kerken nog veel zeggenschap. De Japanse bezetting (1942) en de onafhankelijkheid van Indonesië (1945) brachten dit proces in een stroomversnelling; de kerken werden nu ook daadwerkelijk zelfstandig, het laatst in Oost-Indonesië.
De geschiedenis van de Nederlandse zending in de tweede helft van de twintigste eeuw is niet eenduidig. Enerzijds was er de tendens naar verkerkelijking en grotere eenheid. In 1951 ging een aantal zendingscorporaties op in de Zending der Nederlandse Hervormde Kerk (ZNHK). Deze werkte steeds nauwer samen met de ZGKN; in 1971 fuseerden de hervormde en gereformeerde zendingsopleidingen tot het Hendrik Kraemer Instituut. De vorming van de Protestantse Kerk in Nederland betekende ook de fusie van ZNHK en ZGKN. Anderzijds is er een centrifugale tendens: Amerikaanse invloeden leidden tot de vorming van een aantal (Nederlandse filialen van) zendingsorganisaties van evangelikale snit (Arabische Wereldzending, Interserve, TEAR-fund en andere), die ook binnen de kerken werven en soms daarmee samenwerken.
De kerkelijke zending werkt niet of nauwelijks meer onder niet-christenen, maar steunt partnerkerken overzee financieel en met de uitzending van experts op theologisch, medisch en sociaal-economisch gebied. De evangelikale zendingen daarentegen zoeken hun werkterrein juist onder niet-christenen, niet zelden met voorbijgaan van al bestaande kerken ter plaatse. Ook de achterliggende missiologieën zijn diametraal tegengesteld: met name voor de hervormde zending was zending een tijdlang vooral de realisering van het heil op wereldlijke wijze (J.C. Hoekendijk); voor de evangelikalen is slechts rechtstreekse evangelieverkondiging een vervulling van het zendingsgebod. Wat beide gemeen hebben is de gerichtheid op de gehele wereld: de Nederlandse kerkelijke zending heeft de eenzijdige oriëntatie op Indonesië opgegeven en werkt sinds de jaren vijftig ook in andere Aziatische landen, in Afrika en in Zuid-Amerika. Anderszijds heeft zij echter nog maar nauwelijks de immigrantenkerken in Nederland ontdekt en werkt zij met een enkele uitzondering niet onder niet-christelijke nieuwe Nederlanders.
Auteur
Th. van den End [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
S. Coolsma, De Zendingseeuw voor Nederlandsch Oost-Indië (Utrecht 1901)
C.W.Th. van Boetzelaer, De Protestantsche Kerk in Nederlandsch-Indië (Den Haag 1947)
I.H. Enklaar, Kom over en help ons! Twaalf opstellen over de Nederlandse zending in de negentiende eeuw (Den Haag 1981)
P.N. Holtrop (red.), ZGKN 100 (Kampen 1996)
Th. van den End e.a. (red.), Twee eeuwen Nederlandse zending, 1797-1997. Twaalf opstellen (Zoetermeer 1997)
G.J. Schutte (red.), Het Indisch Sion. De Gereformeerde kerk onder de Verenigde Oost-Indische Compagnie (Hilversum 2002)