Verkondiger van het christelijk geloof aan niet-christenen.
Het begrip werd in 1797 geïntroduceerd door het Nederlandse Zendelinggenootschap, als vertaling van missionary in de London Missionary Society. Doordat in rooms-katholieke kring het woord ‘missionaris’ gebruikt werd, heeft de term ‘zendeling’ in het Nederlandse taalgebied een exclusief protestants karakter gekregen. In het gangbare spraakgebruik is ‘zendeling’ identiek met ‘zendeling-leraar’, iemand met de bevoegdheid om – lange tijd alleen op het zendingsveld – de sacramenten te bedienen, dit in onderscheid van zendeling-artsen, zendeling-onderwijzers en zendeling-werklieden. Zij zijn in dienst van zendingsorganisaties en waren tot in de twintigste eeuw op enkele uitzonderingen na niet academisch gevormd.
Onder invloed van de Gereformeerde kerken kwamen er na 1900 zendingspredikanten die door de kerken zelf werden uitgezonden. Na de Tweede Wereldoorlog spreekt men in de traditionele protestantse kerken niet meer van zendelingen, maar van missionaire werkers, hetzij als predikant of in een andere functie. Bij de evangelikalen en Pinkstergemeenten is het begrip ‘zendeling’ nog steeds in gebruik.
Auteur
A.Th. Boone [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]