Gevestigde, officiële kerk van een land. Zij valt samen met een bepaald volk, of is althans betrokken op heel dat volk.
Men is als lid van deze kerk geboren. Een volkskerk geldt als de hoedster van het nationaal eigene, meer dan als de vertegenwoordigster van een welomschreven geloofsstandpunt. Een volkskerk wordt gekenmerkt door haar breedte en pluraliteit. Tegenover het type van de volkskerk staat dat van de ‘vrije kerk’. Lid is men hier niet krachtens geboorte, niet vanzelfsprekend, maar door keuze, door eigen geloofsbeslissing. Dit kerktype staat op zijn vrijheid ten opzichte van de overheid. Ze is gekenmerkt door de belijndheid van de geloofsovertuiging van haar leden; een belijndheid die geen pluraliteit verdraagt.
Volkskerksituaties waren er sinds de vierde eeuw, toen het christendom in het Romeinse Rijk staatskerk werd (zie Constantijn de Grote). Maar de eeuwen door klonken ook protesten tegen een vanzelfsprekende band
tussen kerk en volk, van hen die aandrongen op bewustheid en zuiverheid van geloof. Zo ontstonden telkens tegenover de ene volkskerk alternatieve, vrije geloofsgemeenschappen, vaak als sekten gebrandmerkt.
Toen in de negentiende eeuw in het Nederlandse staatsbestel de Nederlandse Hervormde Kerk niet meer de geprivilegieerde kerk was, bleef zij in feite nog lang de volkskerk. Daartegenover ontstonden uit Afscheiding en Doleantie onder meer de Gereformeerde Kerken, als gemeenschap van vrije kerken. Tegenover hun leidsman Abraham Kuyper verdedigde Ph.J. Hoedemaker de volkskerkgedachte, echter niet op basis van een vanzelfsprekende identiteit van kerk en volk, maar van het heel het volk omvattende karakter van Gods genade verbond.
Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog ging men in de Nederlandse Hervormde Kerk het woord ‘volkskerk’ vooral missionair verstaan: als kerk ‘voor’ heel het volk, staande midden in de samenleving. Dit spraakgebruik raakte echter vrij spoedig in onbruik.
Auteur
Karel Blei [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]