Benaming ontleend aan het begrip ultra montes: van de andere zijde van de bergen, in dit geval de Alpen.
In de Middeleeuwen was het begrip, met name in Rome en Italië, een niet vleiend woord voor de Noord-Europeanen, vooral de Duitsers. Later werd het bij niet-katholieken een scheldwoord voor de katholieken van wie het kerkelijk hoofd, de paus, immers ultra montes woonde.
Het woord kreeg voor de katholieken ook een binnenkerkelijke betekenis: katholieken die al te veel nadruk leggen op het centrale Romeinse gezag van paus en curie, en onvoldoende aandacht hebben voor het lokaal-eigene van de diocesane of plaatselijke kerk.
In Frankrijk kwam daar nog het aspect bij van verzet tegen de staatsbemoeienis en het gallicanisme, dat het Frans-eigene van de kerk benadrukte. Het werd vooral verwoord door de priester Huques-Felicité de Lammenais (1782-1854). Hoogtepunten van het ultramontaans denken waren tijdens het pontificaat van paus Pius IX (1846-1878) de Syllabus Errorum (1864) en het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid tijdens het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1870). De stroming heeft het besef van het behoren tot de ene grote katholieke wereldkerk sterk bevorderd, maar ook het centralisme van het gezag van paus en curie te Rome.
Auteur
J. Peijnenburg [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]