De katholieke liturgie voor de uitvaart kent drie onderdelen: in het huis van de overledene, in de kerk en bij het graf.
Thuis of in het ziekenhuis wordt de overledene met wijwater besprenkelt, ter herinnering aan het doopsel. Ook in de kerk wordt het lichaam met wijwater besprenkelt en vervolgens bewierookt; dit gebeurt aan het slot van de dienst, bij de laatste aanbeveling ten afscheid. In de lezingen en de overweging wordt het christelijk perspectief van de wederopstanding geschetst, maar is ook ruimte voor een persoonlijk woord over de overledene. Tijdens de graflegging op het kerkhof wordt het lichaam aan de aarde toevertrouwd.
In de protestantse kerken was traditioneel slechts ruimte voor een kort afscheid op het kerkhof; de oude rituelen werden door Luther en Calvijn bestempeld als bijgeloof. Pas na 1900 is de uitvaart vanaf de kerkdienst ingevoerd, als de begrafenis door de gemeente van één van haar lidmaten.
Auteur
Albert van der Zeijden [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
P.A.M. van den Akker, Het laatste bedrijf. Over waarden, handelingen en rituelen bij sterven, dood en uitvaart (Tilburg 1995)
G. Lukken, ‘De liturgie rond een overledene. Over inductieve en adequate dodenliturgie’, in: Rond de Tafel 1 (2000) 3-14