Begrip uit de christelijke theologie en cultuurgeschiedenis.
Het christelijke geloof baseert zich op een boek, de Heilige Schrift, dat de kerk aanvaardt als de openbaring van God aan de mensen. Die openbaring is de bron en toetssteen van het geloof. Tegelijkertijd wordt die openbaring ontvangen en uitgelegd binnen de gemeenschap van de kerk, en heeft de kerk er altijd naar gestreefd het belijden in overeenstemming te houden met het geloof zoals dat door voorgaande generaties is verwoord. Dit inzicht is verwoord door Vincentius van Lérins (circa 434 overleden) in zijn Commonitorium: het geloof dient in overeenstemming te zijn met dat wat altijd en overal en door iedereen is geloofd.
Binnen de Rooms-Katholieke Kerk neemt de traditie een belangrijkere plaats in dan in de protestantse kerken. Het leergezag wordt daar gezien als een bron die additioneel is aan de openbaring. Protestanten aanvaarden in principe geen opvattingen die niet expliciet in de bijbel zijn verwoord of daaruit rechtstreeks zijn af te leiden. Een middenpositie treft men aan in de lutherse en anglicaanse kerken, waar opvattingen en gebruiken worden geaccepteerd zolang die niet in expliciete tegenspraak met de bijbel zijn.
Auteur
B.J. Spruyt [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
E.P. Meijering, Inspiratie uit de traditie: gegrond geloof (Kampen 1996)