Stichter van het kerkgenootschap der mennonieten of doopsgezinden, is Nederlands enige hervormer (ca. 1496 - Bad Oldeslo [Duitsland] 1561)
Menno begon zijn loopbaan als vicaris van Pingjum (1524) en pastoor van Witmarsum (1532). Hoewel reeds lang reformatorisch prekend en zich kerend tegen het Münsterse geweld van de doopsgezinden, verliet hij pas in 1536 het ‘pausdom’. Op een Gronings schuiladres, waar hij in 1537 tot oudste werd gewijd, verdiepte Menno zich in de bijbel en de doperse theologie, waaronder de christologie van Hoffman. Met de publicatie in 1539 van zijn belangrijkste werk, Dat fundament des christelyken leers, trad hij op de voorgrond. Vanuit Oost-Friesland bond hij de strijd aan met de Münsterse restanten, met zijn concurrent David Joris, en met de wereldlijke overheden, bij wie hij aandrong op tolerantie. Menno, op wiens hoofd een prijs stond en die voortdurend moest vluchten, is er desondanks in geslaagd zijn zwaar vervolgde aanhang tot lokale gemeenten te organiseren. Hij preekte een van de ‘wereld’ afgezonderd en geweldloos christendom, waarin de levensheiliging voorop stond als direct uitvloeisel van Christus’ leer en leven.
Zijn ethisch biblicisme en strenge tuchtpraktijk leidden tot vele conflicten, met in Menno’s nadagen (1557) twee splitsingen tot gevolg. Zijn leer riep ook veel weerstand op bij protestantse tegenstanders als A Lasco, Mikron en Faber met wie hij felle debatten voerde. Menno heeft ruim 25 geschriften op zijn naam staan, die in het Duits en Engels vertaald zijn. Zijn Duitse huis, de ‘Mennokate’, en de Friese dorpen Pingjum en Witmarsum zijn pelgrimsoorden voor vele mennonieten uit de hele wereld.
Auteur
Piet Visser [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
I.B. Horst, A Bibliography of Menno Simons (Nieuwkoop 1962)
P. Visser, Sporen van Menno (Krommenie 1996)
S. Voolstra, Menno Simons (North Newton 1997)
Zie ook
Menno Simons (2008)