Plaats van samenkomst van de katholieken voor het vieren van hun liturgie, nadat hen bij het begin van de Nederlandse opstand (1572) de oude kerkgebouwen ontnomen waren; eerst in Holland en Zeeland, vervolgens in de andere noordelijke gewesten en tenslotte omstreeks de vrede van Münster (1648) ook in de latere zogenaamde generaliteitslanden.
Tot ongeveer 1650 kwam men bij elkaar in particuliere huizen of in boerderijen, waarbij mondeling werd doorgegeven waar de liturgie gevierd zou worden en waar een priester (soms vermomd als marskramer) aanwezig was. Vanaf 1650, en zeker na de inval van de Fransen (1672), was van geheimhouding geen sprake meer. De overheid kende de huizen in de steden, die zich tot statiekerken ontwikkelden, en op het platteland verrezen ‘kerken’ die als zodanig niet kenbaar mochten zijn. Er moesten voor de toestemming om zo’n schuil- of schuurkerk te bouwen vaak hoge ‘recognitiegelden’ worden betaald. Vaak waren er moeilijkheden met de lokale overheden, met name in de generaliteitslanden, wanneer herstellingen al te veel in de richting van een kerk wezen. De tijdstippen van de eredienst mochten niet samenvallen met die van de bevoorrechte Gereformeerde Kerk. Schuilkerken zijn zelfs tijdelijk gesloten geweest bij zogenaamde gemengde huwelijken of overgangen naar de Rooms-Katholieke Kerk; destijds golden voor doopsgezinden en remonstranten ook soortgelijke bepalingen.
Slechts één schuilkerk in Nederland is bewaard gebleven: Onze Lieve Heer op Solder te Amsterdam; vooral in Brabant zijn ze in de negentiende eeuw met vreugde afgebroken. Men kreeg de oude kerk terug, bouwde een waterstaatskerk, of later – nog liever – bouwde in de stijl van de neogothiek. Aan de tijd van verdrukking wilde men niet meer herinnerd worden.
Auteur
J. Peijnenburg [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Peijnenburg, Kerk in verdrukking (Den Bosch 1994)