Bemiddeling (teken, beeld) van de onzichtbare God in de zichtbare werkelijkheid.
God kan vanwege zijn transcendentie nooit zelf zichtbaar worden in zijn schepping, maar laat zich wel kennen door de bemiddeling van het geschapene. Als schepping is de hele werkelijkheid, en vooral de mens, beeld (icoon) van God (Gen. 1:27). Maar de historische werkelijkheid zoals wij ze kennen, bemiddelt God niet volledig. God verschijnt niet zelf in de zondige mens (zie zondeval), en ook niet in de andere naar hem verwijzende tekenen. De traditie spreekt retrospectief wel over de sacramenten van het Oude Testament, waarvan het bekendste de besnijdenis is. Dergelijke tekenen hebben een sterk verwijzingskarakter naar God, maar brengen hem niet aanwezig. God komt pas zelf zichtbaar in de geschiedenis binnen in de enige middelaar Jezus Christus; die is ‘beeld van God, de onzichtbare’ (Kol. 1:15). Jezus is daarom het sacrament van de Vader, en de kerk als zijn lichaam is het sacrament van Christus. Na Pinksteren leven we in het tijdperk van de kerk. Dit is ook het tijdperk waarin de verrezene Christus handelt in de geschiedenis, door middel van de sacramenten in striktere zin. In die sacramenten blijft Hij ook nu onder ons aanwezig en verenigt zich met ons, in de Geest.
Vanaf de tweede eeuw werd het Griekse mystèrion vertaald door het Latijnse sacramentum. Deze term verwijst in het Nieuwe Testament steeds naar de openbaring van God, of het binnentreden van het onzichtbare (Gods genade) in het zichtbare, altijd verbonden met de persoon van Jezus Christus en de kerkgemeenschap. De kerkvaders gebruikten het woord sacramentum of mysterium voor het doopsel en het avondmaal, maar uitdrukkelijk ook voor de Schrift, en later voor een aantal met de cultus verbonden handelingen en voorwerpen.
Een nuanceverschil in betekenis tussen mystèrion (meer verbonden met het Woord, het mystieke en het onzichtbare dat zich openbaart) en sacramentum (meer verbonden met de cultus, het juridische en het zichtbare dat het onzichtbare representeert) zou veel later de eenheid tussen de bijbelse en de cultische mysteries schaden. Die eenheid werd in de oecumenische dialoog en door het Tweede Vaticaans Concilie opnieuw sterk beklemtoond.
Vooral in de twaalfde eeuw werd verder doorgedacht over de sacramenten. Ze zijn bijzondere tekens, door Christus ingesteld, die ‘veroorzaken wat ze betekenen’: ze geven zelf genade. Hier komt ook het aantal van zeven sacramenten tot stand, dat echter al langer in de liturgische praktijk van de kerk functioneerde. De drie initiatiesacramenten zijn doopsel, vormsel en eucharistie. De twee sacramenten van genezing zijn biecht en ziekenzalving. De twee sacramenten ten dienste van de geloofsgemeenschap zijn het gewijde ambt (wijding) en het huwelijk.
De Reformatie erkende slechts twee sacramenten, die ook voor de Rooms-Katholieke Kerk ongetwijfeld de belangrijkste zijn: doop en avondmaal (met verder te nuanceren standpunten over biecht, ambtswijding en huwelijk). Tegelijk verstaat zij enigszins anders de werking van een sacrament. Tegenover het rooms-katholieke en orthodoxe ex opere operato, ziet zij het geloof van de ontvanger als mede wezenlijk voor het tot stand komen van het sacrament, naast de gave van Christus en de Geest. Voor de reformatie betekent het sacrament als verdichtend symbool ook veeleer wat het bewerkt (bijvoorbeeld drukt de doop onze gelovige bekwaamheid tot verzoening uit), waar de katholieke traditie de werking van het sacrament laat groeien uit zijn betekenis (omdat wij gedoopt zijn, zijn wij bekwaam tot verzoening).
Auteur
Stijn van den Bossche [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M.E. Brinkman, Schepping en sacrament. Een oecumenische studie naar de reikwijdte van het sacrament
als heilzaam symbool in een weerbarstige werkelijkheid (Zoetermeer 1991)
P. Pas, De zeven sacramenten op de drempel van het derde millennium (Leuven 1999)
L. Leijssen, Met de stille glans van Gods Geest. Sacramenten en postmoderniteit (Averbode 2003)