Duits theologe (Keulen 30.9.1929 - Göppingen 27.4.2003)
Dorothee Sölle (geboren Nipperdey) studeerde theologie, filosofie en literatuurwetenschappen. In Plaatsbekleding/een hoofdstuk theologie ‘na de dood van God’ (1965) bestreed zij de idee dat Christus plaatsvervangend alles volbracht heeft. Over God kan, na de hel van Auschwitz, niet meer in termen van ‘alomtegenwoordig’ en ‘albestierend’ worden gesproken. God is, evenals Christus, op de mens aangewezen.
Grote bekendheid verwierf ze met de Politieke avondgebeden (Keulen 1968-1972). Het christelijk geloof kan niet vrijblijvend zijn. Thema’s waren onder andere: grondspeculatie, medezeggenschap, rechtspleging, gevangeniswezen, discriminatie, ontwikkelingshulp, kinderarbeid. Na haar reis naar Noord-Vietnam (‘mijn Damascus’) in 1972, en later, tijdens haar professoraat in New York (1975-1987), werd haar denken steeds nadrukkelijker bepaald door bevrijdingstheologie en feministische theologie.
Haar werk – ruim veertig boeken, waaronder zeven poëziebundels – wordt gekenmerkt door sterk persoonlijk engagement, een mystieke inslag haar opus magnum: Mystiek en verzet, 1997) en poëzie (‘theopoëzie’).
Auteur
Ton van der Worp [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
D. Sölle, Tegenwind/herinneringen (Braan 1995)