Van het Griekse presbyter: drager van een kerkelijk ambt.
In de Rooms-Katholieke Kerk is de priester bij uitstek de medewerker van de bisschop. Hij ontvangt daartoe in de priesterwijding het hiƫrarchisch priesterschap, dat hem toelaat op te treden in de persoon van Christus als hoofd van de kerkgemeenschap. Zijn taak bestaat er in het evangelie te preken, herder te zijn over de gelovigen, en de goddelijke eredienst te vieren. In de late Middeleeuwen werd de eigenheid van het priesterambt vooral gesitueerd in de door de wijding verleende macht om te heiligen (consacreren), en om te vergeven.
Tegenwoordig situeren theologen die eigenheid veeleer in het pastorale leiding geven aan de geloofsgemeenschap, in verwijzing naar God zelf. Het voorgaan in de eucharistieviering is daarvan de hoogste uitdrukking. Zie ook: priesterschap.
Auteur
S. van den Bossche [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
P. Zemp, Het sacrament van de wijding tot het ambt (Haarlem 1979)
G. Greshake, Priester sein in dieser Zeit (Freiburg/ Basel/Wien 2000)