Van 1800 tot en met 2005 bezetten veertien pausen de troon van Sint Pieter.
De gemiddelde duur van hun pontificaat bedroeg dus ongeveer veertien en een half jaar. Hun voorgangers uit de eerste achttien eeuwen van de geschiedenis van het christendom regeerden gemiddeld genomen slechts zeven jaar. Bovendien dateren de drie langste pontificaten tot nu toe uit de laatste twee eeuwen: die van Pius IX (1846-1878), Johannes Paulus II (1978- 2005) en Leo XIII (1878-1903). Bijgevolg drukte vrijwel iedere pontifex (paus) uit de afgelopen tweehonderd jaar zijn stempel op de Rooms-Katholieke Kerk van zijn tijd; sommigen beroerden ook de wijdere wereld. Daarmee braken zij met een in de tweede helft van de zeventiende eeuw ingezette tendens die hen steeds meer tot speelbal van absolutistische en verlichte vorsten had gemaakt. Die tendens culmineerde in de Franse Revolutie. In februari 1798 bezetten Franse troepen Rome en arresteerden ze Pius VI. Deze overleed in juli 1799 in gevangenschap. Een conclaaf om zijn opvolger te verkiezen kwam pas in de herfst van dat jaar bijeen en wel in Venetië. Pius VII, die tot 1823 zou regeren, nam het herstel van de kerk ter hand, onder andere door de orde van de jezuïeten weer op te richten (1814). De teruggave van de kerkelijke staat aan de paus door het Congres van Wenen (1815), hield een erkenning in van diens opnieuw gegroeide religieuze en wereldlijke gezag.
Pius’ opvolgers Leo XII (1823-1829) en Gregorius XVI (1831-1846) streefden naar absolute macht in beide domeinen. Dat een ‘vrije kerk in een vrije staat’ die kerk ook ongekende ontplooiingskansen zou bieden, zagen zij en hun partijgangers elders in Europa, de zogenaamde ultramontanen, vooralsnog niet in. Het onvermogen van Pius IX om macht in de kerkelijke staat te delen, leidde uiteindelijk tot de inname van Rome door Italiaanse troepen (1870) (zie ook de Romeinse kwestie). Meer succes oogstten de pausen bij hun streven naar almacht binnen de kerk. Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Engeland en Wales (1850) en in Nederland (1853) was er een tastbaar resultaat van; het hoogtepunt was de erkenning van de pauselijke onfeilbaarheid door het Eerste Vaticaans Concilie (1870).
Leo XIII (1878-1903) zette de confrontatiepolitiek met de jonge Italiaanse staat voort, maar streefde wel naar een modus vivendi met het republikeinse en antiklerikale Frankrijk. Ook had hij blijkens zijn encycliek Rerum novarum oog voor de uitdagingen waar de snelle industrialisatie en het daaruit voortvloeiende sociale vraagstuk de kerk voor plaatsten.
Pius X (1903-1914) keerde de kerk weer naar binnen. Hij hervormde de curie en codificeerde het canonieke recht. Pius’ felle veroordelingen van het modernisme en zijn wantrouwen tegenover wetenschappelijk onderzoek vervreemdden hem echter van de katholieke intelligentsia. Op 29 mei 1954 werd Pius X heilig verklaard.
Pius’ opvolger, Benedictus XV (1914-1922), poogde de breuk met katholieke intellectuelen te herstellen, maar zijn pontificaat werd bijna geheel overschaduwd door de Eerste Wereldoorlog. Aanvankelijk stond Pius XI (1922-1939) niet onwelwillend tegenover autoritaire regimes van rechtse snit: in Spanje steunde hij de staatsgreep van generaal Franco tegen de legitieme republikeinse regering, kort na Hitlers machtsgreep sloot hij een concordaat met nazi-Duitsland (20 juni 1933) en krachtens het Verdrag van Lateranen (11 februari 1929) erkende hij de fascistische dictatuur van Benito Mussolini. Maar toen Hitler en Mussolini de speelruimte van de kerk inperkten en steeds meer anti-joodse maatregelen troffen, protesteerde Pius XI luid en duidelijk (zie ook: Mit brennender Sorge).
De Tweede Wereldoorlog en het opkomende communisme brachten een slag toe aan het morele gezag van de kerk in de wijdere wereld. Als reactie hierop trok Pius XII (1939-1958) de bestuurlijke teugels van de kerk nog strakker aan. Anders dan zijn ongenaakbare voorganger, die zichzelf zag als een ‘hemelse herder’ (pastor angelicus), presenteerde de gemoedelijke Johannes XXIII (1958-1963) zich als een ‘goede herder’ (pastor bonus). Met het Tweede Vaticaans Concilie wilde hij het gewicht van de lokale kerken vergroten.
Dat toenemende belang van de lokale kerken blijkt ook uit de veelvuldige reizen van Paulus VI (1963-1978) en vooral Johannes Paulus II (1978-2005). Samen bezochten ze op Rusland, China en enkele Arabische staten na vrijwel ieder land ter wereld. Maar evengoed blijkt uit al deze reizen dat ‘Rome’ vooralsnog niet van plan is haar greep op de ‘provincie’ los te laten. Het veelvuldige beroep dat deze pontifices hierbij doen op de mensenrechten, die erfgenamen van de ooit verfoeide Verlichting en Franse Revolutie, geeft aan dat hoe onveranderlijk de leer van het evangelie ook mag zijn, het denken over de toepasbaarheid van die leer ook in de Rooms-Katholieke Kerk niet blijft stilstaan.
Zie ook: Mirari vos arbitramur, Quanta cura, Syllabus errorum
Auteur
Hans Cools [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Jedin e.a. (Hrsg), Handbuch der Kirchengeschichte. Band VI.1 en VI.2 (Freiburg im Breisgau 1971, 1973)
E. Duffy, Saints & Sinners, A History of the Popes (New Haven 1997), 195-292
O. Chadwick, A History of the Popes, 1830-1914 (Oxford 1998)
Enciclopedia dei Papi. 3 (Rome 2000) 509-697
Y. Hilaire (ed.), Histoire de la papauté. 2000 ans de mission et de tribulations (Parijs 2003), 375-510