Zielzorg die zich richt op de mens in zijn geestelijk functioneren (geloof of levensbeschouwing). Afgeleid van het Latijnse woord pastor, dat herder betekent.
In de bijbel vinden we op veel plaatsen de herdermetafoor, die als regel verwijst naar God. Pastoraat is zo oud als de kerk. In het Nieuwe Testament treffen we hiervoor werkwoorden aan die samenhangen met het Griekse woord paraklese, dat vermaning of vertroosting betekent. Het onderlinge pastoraat in de gemeente, het ‘omzien naar elkaar’, geldt als grondvorm van alle pastoraat. Daarnaast wordt pastoraat meer professioneel uitgeoefend door pastores die hiervoor een academische of hbo opleiding theologie hebben gevolgd, veelal aangevuld met cursussen klinisch pastorale vorming; zij kunnen zowel binnen de gemeente werken als in de gezondheidszorg, inrichtingen van justitie en de krijgsmacht. Centraal staan de eigen vragen en moeiten van de individuele mens.
Pastoraat beoogt mensen heling, troost, verheldering of ondersteuning te bieden bij de weg die ze hebben te gaan. Naast individueel pastoraat bestaan vormen van groepspastoraat, zoals rouwgroepen. De pastorale gespreksvoering is sterk beïnvloed door de psychologie. Zie verder: pastorale theologie, pastorale psychologie.
Auteur
Gerben Heitink [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
M. Blom, Een mens die mensen vergezelt. Pastoraal vademecum (Zoetermeer 2001)
Gerben Heitink, Pastorale zorg: theologie, differentiatie, praktijk (Kampen 1998, 2005 3de druk)