Iemand die in het pastoraat werkzaam is.
De term wordt verschillend ingevuld naar gelang de kerkelijke traditie.
In de protestantse kerken is de pastoraal werker in de regel iemand zonder afgeronde universitaire predikantsopleiding of iemand die niet in het ambt van predikant is bevestigd. Zij hebben niet de bevoegdheid om de sacramenten te bedienen en gaan meestal niet voor in kerkdiensten. Wel kunnen zij voorgaan in samenkomsten in bijvoorbeeld ziekenhuizen, verpleeghuizen of bejaardenhuizen, die geen predikant in dienst hebben. Als ze geen universitaire studie hebben afgerond, hebben ze vaak een hogere beroepsopleiding gevolgd.
In de rooms-katholieke traditie betekent pastoraal werker: een lekengelovige man of vrouw die krachtens bisschoppelijke zending en (doorgaans) op basis van een arbeidsovereenkomst in het pastoraat werkzaam is.
Nadat het Tweede Vaticaans Concilie aangaf dat leken in het pastoraat konden samenwerken met gewijde
bedienaren (bisschop, priester, diaken), werden in 1968 in de Nederlandse kerkprovincie de eerste pastoraal werkers benoemd.
De kerkelijke inkadering ervan verliep stapsgewijs. Na de rechtspositieregeling volgde de bevoegdheidsregeling.
Punten van discussie zijn het specifieke werkterrein van de pastoraal werker en hoe de functie zich verhoudt tot die van de gewijde bedienaren. In 1999 verscheen een bisschoppelijke beleidsnota die ingaat op het kerkelijke karakter van de pastoraal werker.
Auteur
A.P.H. Meijers [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Nederlandse Bisschoppenconferentie, Beleidsnota ‘Meewerken in het pastoraat’, Kerkelijke Documentatie 121 27 (1999)