Na de sluiting van het Tweede Vaticaans Concilie kondigden de Nederlandse bisschoppen op de zondag voor Kerstmis 1965 de voorbereiding aan van een ‘provinciaal concilie’.
Het Pastoraal Instituut van de Nederlandse kerkprovincie kreeg opdracht om advies uit te brengen over de vormgeving van het pastoraal concilie. Bisschop G.H. de Vet van Breda legde op een persconferentie uit, dat de typisch kerkelijk-juridische term ‘provinciaal concilie’ was vertaald naar ‘Pastoraal concilie van de Nederlandse kerkprovincie’ (PC). In het decreet ‘Christus Dominus’ (No 27) en in Motu proprio Ecclesiae Sanctae wordt gesproken over concilium pastorale, maar dat ging over een instelling van het bisdom en niet over een nationaal beraad van alle gelovigen.
Dit beraad zou zich gaan voltrekken in gebed, studie en gesprek en zou van pastorale aard zijn. Dat wil zeggen dat het zich zou bewegen op het terrein van de zelfverwerkelijking van het volk Gods volgens de opdracht van het evangelie, de nieuwe inzichten van het Tweede Vaticaans Concilie en de noden van onze tijd. Beoogd werd om andere gelovigen en niet-gelovigen in het beraad en zijn uitwerking te betrekken.
De deelname aan het concilieberaad kende drie mogelijkheden: in gesprekken, discussie of in brieven; in commissies van het PC, in organisaties en verenigingen; in het leiding geven aan concilie-activiteiten en in de concilieorganen zoals de Centrale Commissie, de concilieraad (een verzameling deskundigen) en de Diocesane Pastorale Centra. Het concilieberaad mondde uit in adviezen en richtlijnen voor de bisschoppen die niet zonder tussenkomst van Rome konden worden aanvaard.
De bisschoppen moesten zorgen dat de Romeinse zienswijze op duidelijke wijze aan de gelovigen werd bekendgemaakt. De opening vond plaats in de kathedraal te Utrecht op 27 november 1966. Tijdens deze plechtigheid werd een bemoedigende brief van paus Paulus VI voorgelezen. Er vonden achtereenvolgens zes zittingen plaats in het vroegere seminarie van het bisdom Rotterdam in Noordwijkerhout. De zesde en laatste plenaire vergadering was van 5-8 april 1970. Tijdens alle zittingen was Walter Goddijn secretaris-generaal.
De meest opzienbarende bijeenkomst, in januari 1970, handelde over het celibaat. Er waren 124 journalisten uit binnen- en buitenland. Een grote meerderheid van het concilie stemde voor opheffing van het verplichte celibaat voor priesters. In de buitenlandse media werd de suggestie gewekt, dat het celibaat in Nederland in feite al was afgeschaft. Tijdens de bisschoppensynode van 30 september 1971 werd de celibaatcrisis behandeld en werd het standpunt van de Nederlandse bisschoppen definitief afgewezen. Inmiddels waren in ons land ongeveer duizend priesters uitgetreden.
Het beraad werd voortgezet als Landelijk Pastoraal Overleg.
Auteur
Walter Goddijn [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W. Goddijn, Pastoraal concilie van de Nederlandse kerkprovincie, 7 dln (Amersfoort 1959-1970)
W. Goddijn, J. Wewerinke, F. Mommers, Pastoraal Concilie (1965-1970). Een experiment in kerkelijk leiderschap (Baarn 1986)
E. Simons en L. Winkeler, Het Verraad der Clercken (Baarn 1987)