Latijn voor: herder. In de kerkelijke sfeer is een pastor een rooms-katholieke geestelijke of in een protestantse gemeente een dominee of voorganger.
Er kan ook een pastoraal werker mee bedoeld worden. De bijbel spreekt op meerdere plaatsen over het ambt van herder en leraar. De pastor is de specifieke dienaar van Jezus Christus die als Goede Herder zich voor zijn schapen inzette. In de praktijk geldt meestal dat een pastor in opdracht van een bisschop of een kerkenraad een specifieke doelgroep herderlijk heeft te begeleiden, zoals studenten, zieken, ouderen of jongeren. Kerkordelijk is deze functie niet altijd duidelijk omschreven. Een pastor heeft meerdere vergelijkbare bevoegdheden als een predikant, met uitzondering van die om de sacramenten te bedienen. De opleiding tot pastor is niet in alle kerken even duidelijk geregeld.
Auteur
H. Veldman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
C. Trimp, ‘Het pastoraat van de kerk’, in: W. van ’t Spijker c.s. (red.), De kerk. Wezen, weg en werk van de kerk naar reformatorische opvatting (Kampen 1990)
A. van Eijk en A. Meijers, Gedoopt, gevormd, gezonden. Status en statuut van de pastoraal werk(st)er (Zoetermeer 2001)