Stroming binnen een kerk die wil vasthouden aan, en wil opkomen voor de zuivere leer.
De term is afgeleid van het woord orthodoxa: de rechte of zuivere leer. Men spreekt ook wel over rechtzinnigheid, ter onderscheiding van vrijzinnigheid. In de periode na de Reformatie werd gesproken over de lutherse en de gereformeerde orthodoxie. Later werd de uitdrukking ook gebruikt om het verschil met een liberale of moderne geloofsopvatting aan te duiden. De oosters-orthodoxe kerk denkt bij het woord orthodox niet aan de rechte leer, maar aan de rechte lofprijzing; het dogma wortelt voor haar in de liturgie (zie ook: oosterse kerken). Critici van de term orthodoxie hebben erop gewezen dat ook de orthopraxie, het juiste handelen, van belang is.
Auteur
W. Verboom [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.E. Weber, Reformation, Orthodoxie und Pietismus, I, II (Gütersloh 1937-1951)
M. Greschat, Orthodoxie und Pietismus (Stuttgart 1982)
N.T. Bakker, Miskende gratie (Kampen 1991)